ECLI:NL:CRVB:2026:131

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
24/1618 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 ParticipatiewetArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning bijzondere bijstand voor was- en slijtagekosten op basis van medisch advies

Appellante heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor extra was- en slijtagekosten van haar kleding en beddengoed. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam kende haar op basis van een medisch advies een bedrag van €306,- toe, ingedeeld in categorie 3 volgens de gemeentelijke beleidsregels. Appellante stelde dat zij recht had op een hogere vergoeding, omdat zij meer kosten zou maken dan het toegekende bedrag.

Na bezwaar en een aanvullend medisch advies handhaafde het college het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd geoordeeld dat het college zich terecht op het medisch advies heeft gebaseerd. Dit advies was zorgvuldig tot stand gekomen, goed gemotiveerd en bevatte geen onjuistheden. Appellante had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij meer kosten maakte dan het toegekende bedrag.

Ook het bezwaar dat de beleidsregels in strijd zouden zijn met de Participatiewet werd verworpen. De Raad bevestigde dat het college forfaitaire bedragen mag hanteren, mits de betrokkene kan aantonen dat deze niet toereikend zijn. Appellante slaagde hier niet in. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de toekenning van €306,- bijzondere bijstand bleef in stand.

Uitkomst: De toekenning van bijzondere bijstand van €306,- voor extra was- en slijtagekosten wordt bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1618 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2024, 24/1546 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 27 januari 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het over de toekenning van bijzondere bijstand aan appellante tot een bedrag van € 306,- voor de extra was- en slijtagekosten van haar kleding. Volgens appellante heeft zij recht op een hogere vergoeding van deze kosten. Appellante krijgt daarin geen gelijk. Het college heeft het bestreden besluit terecht gebaseerd op het ingewonnen medisch advies.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. el Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom is met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een onderzoek ter zitting achterwege gebleven en heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een besluit van 20 oktober 2020 heeft het college aan appellante een bedrag van € 306,- per jaar toegekend aan bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor extra was- en slijtagekosten. Aan dit besluit lag een medisch advies van 13 oktober 2020 ten grondslag. De arts van het team Sociaal Medische Advisering (SMA) heeft vastgesteld dat appellante een medische indicatie heeft voor een vergoeding voor was- en slijtagekosten en geadviseerd dit jaarlijks aan appellante toe te kennen. Verder heeft de arts geadviseerd om de meerkosten volgens categorie 3 aan appellante te vergoeden en om na drie jaar een herbeoordeling te verrichten.
1.2.
Op 26 juni 2023 heeft appellante bijzondere bijstand op grond van de PW aangevraagd voor de kosten van extra was- en slijtagekosten.
1.3.
Met een besluit van 28 juli 2023 heeft het college aan appellante een bedrag van € 306,- toegekend aan bijzondere bijstand voor extra was- en slijtagekosten. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.4.
Naar aanleiding van het bezwaar heeft het college op 11 oktober 2023 een medisch advies gevraagd bij het team SMA. De bevindingen van het medisch onderzoek, verricht door een Arts Indicatie en Advies, zijn neergelegd in een medisch advies van 6 november 2023. In dit advies staat onder meer het volgende:
“ (…) Er bestaat wel een medische noodzaak voor was- en/of slijtagekosten. (…)
Meerkosten volwassene volgens categorië(en): Categorie 3.
(…)Er bestaat wel een medische indicatie voor de gevraagde voorziening, te weten vergoeding van extra was- en slijtagekosten, omdat het wel aannemelijk is dat er sprake is van meer dan algemeen gebruikelijke kosten voortvloeiend uit een handicap, ondanks - indien mogelijk - het treffen van preventieve maatregelen. Door de medische aandoening moet er vaker worden gewassen met ook extra slijtage van kleding en beddengoed tot gevolg. Zij is echter nog niet als uitbehandeld te beschouwen. Daarom wordt herbeoordeling over drie jaar geadviseerd.”.
1.5.
De arts van het team SMA heeft naar aanleiding van aanvullende vragen van het college op 14 december 2023 een nadere toelichting gegeven over het medisch advies van 16 november 2023. In deze toelichting staat het volgende:
“De klachten/beperkingen (...) als gevolg van stoornissen/aandoeningen van cliënt zijn allen beoordeeld. Er is ook notie genomen van een eerder onderzoek aangaande de was- en slijtagekosten van 2020. In 2020 is ook categorie 3 geadviseerd. Het medisch probleem is niet veranderd. (…)Het advies blijft dus ongewijzigd en voor categorie 3.”
1.6.
Het college heeft de aanvullende toelichting aan appellante verzonden en haar in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 20 december 2023 te reageren. Appellante heeft niet gereageerd.
1.7.
Met een besluit van 22 december 2023 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van 26 juni 2023 gehandhaafd en het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat de hoogte van de bijzondere bijstand, zoals neergelegd in artikel 5.1 van de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019 (Beleidsregels), is vastgesteld aan de hand van de door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) gehanteerde categorieën en bijbehorende kosten. Het college stelt zich op het standpunt dat met het medisch advies van 16 november 2023 en de aanvullende toelichting van 14 december 2023 voldoende is gemotiveerd dat sprake is van meerkosten op grond van categorie 3. Het medisch advies is volgens het college zorgvuldig tot stand gekomen en bevat geen kennelijke onjuistheden die aanleiding geven tot gerede twijfel.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over toekenning van bijzondere bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.
4.2.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW hanteert het college de Beleidsregels. In artikel 5.1, eerste lid, van de Beleidsregels staat dat het college bijzondere bijstand kan verlenen voor extra waskosten en extra kosten voor slijtage van kleding of schoeisel, indien sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. In het tweede lid staat dat onder de extra kosten als bedoeld in het eerste lid worden verstaan: de kosten die zich voordoen wanneer vanwege een medische oorzaak meer slijtage van de kleding, schoeisel of beddengoed dan wel extra bewassing noodzakelijk is ten opzichte van wat gebruikelijk is. Ingevolge het derde lid stelt het college de hoogte van de bijzondere bijstand vast aan de hand van de door de GGD gehanteerde categorieën en bijbehorende kosten. De GGD hanteert zes hoofdcategorieën van medische problematiek. Indeling in categorie 1 leidt tot het laagste en indeling in categorie 6 tot het hoogste normbedrag, waarbij de bedragen variëren tussen € 133,- en € 561,-.
4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat het college met het medisch advies van 16 november 2023 en de aanvullende toelichting van 14 december 2023 onvoldoende heeft gemotiveerd dat de extra was- en slijtagekosten van appellante in categorie 3 vallen. Volgens appellante valt zij in categorie 4 of 6 en hoort zij een hoger bedrag aan bijzondere bijstand te krijgen. De arts heeft namelijk vastgesteld dat bij haar dagelijks ongewild verlies van uitscheidingsstoffen optreedt en dat opvangmateriaal niet toereikend is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.1.
Een bijstandverlenende instantie mag zich bij zijn besluitvorming baseren op concrete adviezen van deskundigen. In dat kader moet de bijstandverlenende instantie zich ervan vergewissen of het medisch advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, of het geen onjuistheden bevat en of het deugdelijk is gemotiveerd.
4.3.2.
De door de arts gebezigde motivering is overtuigend. Het uitgebrachte medisch advies geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het advies niet te volgen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het medisch advies van 16 november 2023 en de toelichting daarop van 14 december 2023 onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, onjuistheden bevatten of niet deugdelijk zijn gemotiveerd. Het ligt op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat zij meer extra kosten maakt dan het college haar, op basis van het medisch advies, aan bijzondere bijstand heeft toegekend. Maar appellante heeft haar stelling niet onderbouwd. Haar eigen beleving is daarvoor niet voldoende. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college met het medisch advies voldoende heeft gemotiveerd waarom appellante in categorie 3 valt. Daartoe is van betekenis dat de arts in zijn toelichting van 14 december 2023, zoals weergegeven in 1.5, heeft gemotiveerd waarom appellante is ingedeeld in categorie 3 en niet in categorie 2 of 6.
4.4.
Appellante heeft verder betoogd dat artikel 5.1 van de Beleidsregels in strijd is met artikel 35, eerste lid, van de PW. Doordat de Beleidsregels een maximum stellen aan het bedrag dat aan bijzondere bijstand kan worden toegekend, kan het college ten onrechte niet nagaan of sprake is van individuele omstandigheden op grond waarvan meer extra kosten moeten worden gemaakt dan de in het beleid vermelde richtbedragen. Ook houden de beleidsregels ten onrechte geen rekening met inflatie en gestegen energieprijzen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
Een bijstandverlenende instantie mag voor het bepalen van de omvang van de noodzakelijke kosten en de hoogte van de bijzondere bijstand forfaitaire bedragen of richtlijnen hanteren waarmee de betrokkene de goedkoopste adequate voorziening kan treffen. Dit is vaste rechtspraak. [1] Daarnaast kan de betrokkene volgens dezelfde vaste rechtspraak aannemelijk maken dat deze vergoeding in zijn of haar geval niet toereikend is voor de te maken noodzakelijke (extra) kosten. Maar appellante is hierin niet geslaagd, zoals al uit 4.3.2 volgt.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat toekenning van bijzondere bijstand tot een bedrag van € 306,- in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7744.