ECLI:NL:CRVB:2026:146
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
In deze zaak stond de vraag centraal of het UWV terecht een WIA-uitkering aan appellante heeft geweigerd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. De Raad had eerder in een tussenuitspraak geoordeeld dat de arbeidsdeskundige onvoldoende had gemotiveerd hoe de maatmanomvang en het maatmaninkomen waren vastgesteld, met name door het buiten beschouwing laten van tijdvakken met wisselende uren.
Na de tussenuitspraak heeft het UWV een nieuw besluit genomen, waarbij de arbeidsdeskundige de relevante tijdvakken alsnog heeft betrokken en een mate van arbeidsongeschiktheid van 34,58% heeft vastgesteld. Appellante voerde aan dat het UWV was uitgegaan van een te hoge maatmanomvang, maar dit werd door de Raad niet gevolgd vanwege het ontbreken van onderbouwing.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond. Tevens werd het eerdere besluit vernietigd, maar met inachtneming dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Daarnaast werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de Staat en het UWV ieder een deel van de vergoeding voor hun rekening nemen. Ook werden proceskosten aan appellante toegekend en het griffierecht vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.