ECLI:NL:CRVB:2026:146

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
22/2772 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd

In deze zaak stond de vraag centraal of het UWV terecht een WIA-uitkering aan appellante heeft geweigerd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. De Raad had eerder in een tussenuitspraak geoordeeld dat de arbeidsdeskundige onvoldoende had gemotiveerd hoe de maatmanomvang en het maatmaninkomen waren vastgesteld, met name door het buiten beschouwing laten van tijdvakken met wisselende uren.

Na de tussenuitspraak heeft het UWV een nieuw besluit genomen, waarbij de arbeidsdeskundige de relevante tijdvakken alsnog heeft betrokken en een mate van arbeidsongeschiktheid van 34,58% heeft vastgesteld. Appellante voerde aan dat het UWV was uitgegaan van een te hoge maatmanomvang, maar dit werd door de Raad niet gevolgd vanwege het ontbreken van onderbouwing.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond. Tevens werd het eerdere besluit vernietigd, maar met inachtneming dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Daarnaast werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de Staat en het UWV ieder een deel van de vergoeding voor hun rekening nemen. Ook werden proceskosten aan appellante toegekend en het griffierecht vergoed.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.

Uitspraak

22/2772 WIA
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
22/2772 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 juli 2022, 21/2206 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om met ingang van 15 februari 2021 een WIA-uitkering aan appellante toe te kennen. In een tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De Raad heeft het Uwv opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Hierin is het Uwv geslaagd. De WIA-uitkering is terecht geweigerd.

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 9 juli 2025 een tussenuitspraak [1] gedaan.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 11 september 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daaraan ligt ten grondslag een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 september 2025.
Namens appellante heeft mr. J.I.T. Sopacua, advocaat, bij brief van 24 november 2025 een zienswijze over dit rapport naar voren gebracht. Daarop is een reactie van het Uwv ingediend.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. In verband hiermee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Onder toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelezen met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij volstaat met het volgende.
Tussenuitspraak
1.2.
De Raad heeft in de tussenuitspraak de medische grondslag van de schatting onderschreven. De Raad heeft appellante in haar standpunt over de vaststelling van de maatmanomvang en het maatmaninkomen gevolgd. Appellante heeft er terecht op gewezen dat zij in februari en maart 2018 een urenomvang had van 96 uren (24 uur per week) en dat het aantal uren dat de 96 uren overschrijdt (overwerk) gedurende de maanden april tot en met juli 2018 (114 uur, 115,50 uur en 130 uur) niet zodanig structureel is dat dit buiten beschouwing moet blijven. Daarbij is van belang dat bij de berekening van het maatmanloon incidenteel overwerk dient te worden meegeteld. Van belang is verder dat de loonstroken weliswaar vanaf 1 juli 2018 een vaste parttimefactor (66,67%) en een vast aantal uren vermelden (104), maar dat er geen gegevens zijn die erop wijzen dat er in de arbeidsverhouding – die er al sinds 2012 is – iets wezenlijks is gewijzigd. Gelet hierop zijn er geen aanwijzingen dat de arbeid en het inkomen van appellante in de maanden februari tot en met juni 2018 niet representatief is. Het Uwv heeft deze tijdvakken daarom ten onrechte buiten beschouwing gelaten en heeft om die reden het maatmaninkomen, en daarmee de mate van arbeidsongeschiktheid, niet deugdelijk gemotiveerd.
Uitvoering tussenuitspraak door Uwv
1.3.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 11 september 2025 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit 2). In dit besluit is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 september 2025 ten grondslag. De arbeidsdeskundige heeft de in 1.2 genoemde tijdvakken met wisselende uren alsnog betrokken in de referteperiode en bij de vaststelling van de maatmanomvang en het maatmaninkomen. De arbeidsdeskundige heeft op de datum in geding, 15 februari 2021, een maatmaninkomen van € 16,58 per uur en een maatmanomvang van 26,61 uur per week vastgesteld. Op basis van de functies machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk) (SBC-code 264122), machinebediende inpak-/verpakkingsmachine (SBCcode 271093) en assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBCcode 267071) heeft hij een mate van arbeidsongeschiktheid van 34,58% vastgesteld. Het Uwv heeft in bestreden besluit 2 appellante meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% blijft en dat zij niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Het standpunt van appellante
1.4.
Appellante heeft tegen bestreden besluit 2 aangevoerd dat het Uwv is uitgegaan van een te hoge maatmanomvang op basis van 1389 verloonde uren. Dit correspondeert volgens appellante niet met de salarisspecificaties. Het Uwv heeft dit ten onrechte niet onderbouwd.

Het oordeel van de Raad

2.1.
Bestreden besluit 2, wordt gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.
2.2.
Met het rapport van 3 september 2023 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldaan aan het verzoek van de Raad om de tijdvakken met wisselende uren te betrekken in de referteperiode en bij de vaststelling van het maatmanomvang en het maatmaninkomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft inzichtelijk toegelicht hoe het aantal (wisselende) uren in de periode februari tot en met juli 2018 en de relevante loonstroken zijn gebruikt bij de berekening van maatmanomvang en maatmaninkomen. De Raad vindt deze berekening navolgbaar. Het betoog van appellante dat het Uwv is uitgegaan van een te hoge maatmanomvang op basis van 1389 verloonde uren is op geen enkele wijze nader onderbouwd en geeft de Raad geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de arbeidsdeskundige. Hiermee is alsnog sprake van een deugdelijke arbeidskundige grondslag voor wat betreft de vaststelling van de maatmanomvang en het maatmaninkomen
2.3.
De Raad komt tot de slotsom dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 15 februari 2021 terecht heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht geweigerd heeft een WIA-uitkering aan appellante toe te kennen.
2.4.
Omdat eerst na de tussenuitspraak in hoger beroep sprake is van een afdoende motivering van het besluit van 6 juli 2021 (bestreden besluit 1), bestaat aanleiding om de aangevallen uitspraak te bevestigen, het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond te verklaren en dit besluit te vernietigen onder de bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond te verklaren.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
3.1.
Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, wordt gewezen op vaste rechtspraak van de Raad. [2]
3.3.
In een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. [3] Indien echter in de loop van de procedure één of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de hogerberoepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hogerberoepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.
3.4.
Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 25 maart 2021 tot de datum van de uitspraak zijn vier jaar en (afgerond) elf maanden verstreken. Noch de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch de opstelling van appellante geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. In het geval van appellante is de redelijke termijn dus met elf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 17 augustus 2021 tot de tussenuitspraak van de Raad van 9 juli 2025 heeft drie jaar en (afgerond) elf maanden in beslag genomen, een overschrijding met vijf maanden. De Raad heeft vervolgens na ontvangst van de mededeling van het Uwv op 11 september 2025 van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, heden einduitspraak gedaan. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van de Staat komt. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 454,55 (5/11 van € 1.000,-) en het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 545,45 (6/11 van € 1.000,-).
Proceskosten
4.1.
Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden voor verleende rechtsbijstand begroot op € 934,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,-) en op € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze na tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 934,-). Voorts bestaat aanleiding de Staat en het Uwv, ieder voor de helft, te veroordelen in de proceskosten van appellante voor het verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor van 0,5). De door de Staat te vergoeden proceskosten bedragen € 233,50. De totale door het Uwv te vergoeden proceskosten bedragen € 3.502,50. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- vernietigt het besluit van 6 juli 2021;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 september 2025 ongegrond;
- veroordeelt de Staat (het ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 454,55;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding tot schade tot een bedrag van € 545,45;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.502,50;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
(getekend) E. Dijt
(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.CRvB 9 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1079.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009 en van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2978.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2978.