ECLI:NL:CRVB:2026:169

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
25/266 AW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbArt. 99 Algemeen Rijksambtenarenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening ontslagbesluit ambtenaar niet-ontvankelijk wegens onredelijke termijn

Verzoekster kreeg op 30 oktober 2017 eervol ontslag met een uitkering vanwege een ernstig verstoorde arbeidsrelatie. Haar bezwaar tegen dit besluit werd in 2019 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam vernietigde in 2022 het besluit en kende een aanvullende ontslagvergoeding toe. De Centrale Raad van Beroep vernietigde in 2023 deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond.

Verzoekster diende in januari 2025 een verzoek om herziening in, stellende dat een bijlage ontbrak in het bezwaardossier en dat zij tijdens de zitting in juni 2023 niet over een intact denkvermogen beschikte door een operatie in juli 2022. De Raad oordeelde dat deze feiten of omstandigheden al bekend of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn tijdens de zitting in juni 2023.

Het verzoek om herziening werd daarom als onredelijk laat ingediend beschouwd, mede omdat geen medische onderbouwing werd gegeven en niet is aangetoond dat de ontbrekende bijlage tot een andere uitspraak zou leiden. Het verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke termijn en het ontbreken van een nieuw feit of omstandigheid.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/266 AW-PV
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2023, 22/1482 AW, 22/3360 AW
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Zitting heeft: H. Lagas
Griffier: C.C.M. van ‘t Hol
Verzoekster is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Nordsiek en A. Verschoor.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Met een besluit van 30 oktober 2017 heeft de minister aan verzoekster op grond van artikel 99 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement eervol ontslag verleend per 13 november 2017. Hierbij is een uitkering verleend gelijk aan een uitkering berekend op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van de sector Rijk. Volgens de minister is sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie, waarvan het ontstaan en voortbestaan in overwegende mate aan verzoekster is te wijten.
1.2.
Het bezwaar van verzoekster tegen dit besluit is met het bestreden besluit van 17 mei 2019 ongegrond verklaard.
1.3.
Met de uitspraak van 31 maart 2022 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 17 mei 2019 gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door het ontslagbesluit te herroepen, voor zover daarbij geen aanvullende ontslagvergoeding is toegekend en heeft aan verzoekster alsnog een aanvullende ontslagvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak heeft verzoekster hoger beroep ingesteld. De minister heeft incidenteel beroep ingesteld.
2. Met de uitspraak van 12 oktober 2023 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Verzoekster heeft met haar verzoekschrift, ingekomen op 23 januari 2025, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2023.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
ij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4.2.
De indiening van een verzoek om herziening mag niet onredelijk laat zijn ingediend. Een verzoek om herziening wordt geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten en omstandigheden (nova) dan wel, indien geen nova zijn gesteld, als het is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2021:3034).
4.3.
Het herzieningsverzoek is, kort samengevat, gebaseerd op de volgende feiten of omstandigheden. Verzoekster heeft gewezen op het ontbreken van een bijlage die hoorde bij een productie van het bezwaardossier van de ontslagprocedure. Het gaat om een door verzoekster verstuurde klachtbrief van 11 augustus 2017 met bijlagen, waarvan bijlage 41 ontbrak. Volgens verzoekster heeft zij pas in december 2024 ontdekt dat bijlage 41 ontbrak. Verder heeft verzoekster gesteld dat zij tijdens de behandeling van de ontslagzaak ter zitting van de Raad op 29 juni 2023 niet beschikte over een intact reactie- en denkvermogen, als gevolg van een operatie op 12 juli 2022. Op de zitting heeft verzoekster verklaard dat zij dit al snel na de operatie heeft ervaren.
4.4.
Zowel de door verzoekster gestelde cognitieve problemen als het feit dat er aan het bezwaardossier één bijlage ontbrak, waren al bij verzoekster bekend of hadden bij haar redelijkerwijs bekend kunnen zijn ten tijde van de behandeling van de ontslagzaak ter zitting van de Raad op 29 juni 2023. Het herzieningsverzoek is dus ingediend meer dan een jaar na het bekend worden van de gestelde nova. Bovendien merkt de Raad op dat een medische onderbouwing van de door verzoekster gestelde cognitieve problemen ontbreekt en dat verzoekster ook niet heeft onderbouwd dat de ontbrekende bijlage tot een andere uitspraak zou hebben geleid, zodat ook geen sprake kan zijn van een nieuw feit of nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, Awb.
4.5.
Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend. Het herzieningsverzoek moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol (getekend) H. Lagas