ECLI:NL:CRVB:2026:172

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
23/3443 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar bij niet tijdige indiening en juiste bekendmaking besluiten bij bijstandintrekking

Appellant ontving bijstand en stond ingeschreven op een adres dat hij in 2016 verliet zonder een nieuw adres door te geven aan het college. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug, waarbij de besluiten naar het laatst bekende adres werden gestuurd.

Appellant maakte pas in 2022 bezwaar, ruim na de termijn. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, wat door de rechtbank werd bevestigd. In hoger beroep stond centraal of de besluiten op juiste wijze waren bekendgemaakt en of de termijnoverschrijding verschoonbaar was.

De Raad oordeelde dat het college de besluiten op een geschikte wijze had bekendgemaakt door verzending naar het laatst bekende adres, aangezien appellant geen nieuw adres had doorgegeven en het college niet verplicht was andere maatregelen te nemen. Verder waren er geen bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding konden rechtvaardigen, ook niet de psychische en sociale problemen van appellant.

Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring bleef in stand en er werd geen schadevergoeding toegekend. Appellant kreeg ook geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening en juiste bekendmaking van besluiten door verzending naar het laatst bekende adres.

Uitspraak

23.3443 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer

23.3443 PW-PV

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 november 2023, 22/2969 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Zitting heeft: E.J.M. Heijs
Griffier: A.T. Dannenberg
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 februari 2026. Voor appellant is mr. E.G.W. Hendriks, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Graper.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant ontving bijstand van het college en stond ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) op het adres [adres] in [woonplaats] (uitkeringsadres). Hij heeft zijn woning op het uitkeringsadres per 30 juni 2016 verlaten. De huurovereenkomst is per 1 augustus 2016 ontbonden en appellant is door het college ambtshalve uitgeschreven uit de brp per 22 december 2016. Appellant heeft geen nieuw adres doorgegeven aan het college. Na de melding van de uitschrijving uit de brp heeft de inkomensconsulent een onderzoek ingesteld naar het recht op bijstand. Uit het onderzoek bleek dat appellant in 2016 had gewerkt bij diverse werkgevers.
2. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft het college met besluiten van 4 mei 2017 en 31 mei 2017 de bijstand van appellant met ingang van 4 januari 2016 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode 4 januari 2016 tot 1 maart 2017 teruggevorderd. Met het besluit van 21 juli 2017 heeft het college appellant een boete opgelegd. Het college heeft deze besluiten naar het uitkeringsadres, het laatst bekende adres van appellant, verzonden.
3. Appellant heeft op 17 juni 2022 bezwaar gemaakt. Met een besluit van 16 november 2022 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
5. In geschil is of de besluiten uit 2017 op de juiste wijze bekend zijn gemaakt en, indien dit het geval is, of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
6.1.
Niet in geschil is dat bekendmaking van de eerder genoemde besluiten uit 2017 niet kon geschieden op de wijze als voorzien in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat appellant destijds niet meer stond ingeschreven in de brp en zijn feitelijke adres niet bekend was. De vraag ligt daarom voor of het college met het toezenden van de besluiten aan het laatst bekende adres van appellant deze besluiten op een andere geschikte wijze als bedoeld in artikel 3:41, tweede lid, van de Awb bekend heeft gemaakt.
6.2.
De vraag wat een andere geschikte wijze van bekendmaking is als niet aan de hoofdregel van het eerste lid van artikel 3:41 van Pro de Awb kan worden voldaan, is een vraag die aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het individuele geval moet worden beoordeeld. Appellant heeft nagelaten het college van zijn adreswijziging op de hoogte te stellen. Volgens vaste rechtspraak [1] kan in dat geval in het algemeen gesteld worden dat een andere geschikte wijze is bekendmaking door verzending naar het laatst bekende adres van de betrokkene. De omstandigheden van het geval kunnen anders meebrengen en de zorgplicht van het bestuursorgaan dwingt er toe om in het individuele geval, indien mogelijk, meer te doen. [2]
6.3.
Anders dan appellant meent, rustte in dit geval op het college geen plicht om meer of iets anders te doen. Appellant heeft wel gesteld dat het college over zijn e-mailadres en 06nummer beschikte en dat er ook telefonisch contact is geweest met het college, maar het college heeft dit weersproken en appellant heeft zijn stelling niet met stukken onderbouwd. De stelling van appellant dat het college de besluiten bekend had kunnen maken via de Berichtenbox van ‘Mijn Overheid’, slaagt alleen al niet omdat de gemeente Kerkrade , zoals het college heeft meegedeeld, niet is aangesloten op deze berichtenbox. Het college was evenmin verplicht om, in afwijking van de vaste rechtspraak voor gevallen als deze, de besluiten niet naar het laatst bekende adres te versturen maar in een plaatselijk/gemeentekrantje te publiceren.
7. De subsidiaire stelling van appellant dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, slaagt evenmin. Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift hem niet of slechts in geringe mate kan worden toegerekend. Appellant heeft er niet voor zorg gedragen dat zijn post op zijn voormalige adres naar hem werd doorgestuurd of dat die post namens hem door een derde werd ingezien. Integendeel, hij heeft naar aanleiding van zijn vertrek uit de woning in de [adres] bij brief van 30 juni 2016 de verhuurder gevraagd om de eventueel nog te ontvangen post voor appellant te vernietigen. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat hij sinds jaren met psychische en sociale problemen kampt, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat die gestelde problemen aan het tijdig maken van bezwaar of het inschakelen van een derde in de weg hebben gestaan.
8. Het hoger beroep slaagt dus niet. Dit betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren in stand blijft. Voor de gevraagde veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de ingevorderde bedragen bestaat geen aanleiding.
9. Appellant krijgt ook geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.T. Dannenberg (getekend) E.J.M. Heijs

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 21 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:112, van 17 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:951 en van 22 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1478.
2.Vergelijk de uitspraak van 9 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:159.