ECLI:NL:CRVB:2026:173

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
20/3467 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-uitkeringszaak

Appellante stelde hoger beroep in tegen besluiten van het UWV inzake haar WIA-uitkering. Tijdens de procedure kwam het UWV met een gewijzigde beslissing tegemoet aan de bezwaren van appellante, waarna het hoger beroep werd ingetrokken.

De Centrale Raad van Beroep beoordeelde de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De totale procedure duurde ruim zeven jaar, waarbij de redelijke termijn met drie jaar en negen maanden werd overschreden. De Raad kende een schadevergoeding toe van €4.000,-, waarvan €3.200,- voor rekening van de Staat en €800,- voor het UWV.

Daarnaast werden proceskosten toegekend aan appellante voor de kosten in beroep en hoger beroep, inclusief kosten van een deskundigenrapport. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van €8.452,25 aan proceskosten en het griffierecht. De Staat werd veroordeeld tot betaling van €233,50 aan proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding.

De Raad besloot de zaak zonder nieuwe zitting af te doen, omdat partijen geen zitting wensten. De uitspraak werd gedaan op 11 februari 2026 door rechter E. Dijt.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat en het UWV tot schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn en intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
20/3467 WIA, 21/151 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 11 september 2020, 19/1182 en 21 december 2020, 20/1056 (aangevallen uitspraken) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 11 februari 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.M. Meis, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
De Raad heeft de zaken gelijktijdig behandeld op een zitting van 2 februari 2023. Voor appellante is verschenen mr. E. Schutrups, kantoorgenoot van mr. Meis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
Bij brief van 14 december 2023 heeft mr. R.J. Hoogeveen, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend en R. Ouwens, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 19 juni 2024 een rapport uitgebracht.
Het Uwv heeft op 12 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft de hoger beroepen ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Daarnaast heeft appellante verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband hiermee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nieuwe zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante zijn de hoger beroepen ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 12 september 2025 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [1] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Als een tegemoetkomend besluit is genomen, eindigt de redelijke termijn op het moment dat dit besluit is bekendgemaakt. [2]
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak. [3]
De zaken hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk het recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 2 januari 2018 van het eerste bezwaarschrift van appellante (tegen het besluit van 13 december 2017, zaak 20/3467) tot 12 september 2025, de datum van bekendmaking van het tegemoetkomend besluit, zijn zeven jaar en afgerond negen maanden verstreken. De zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, en ook de opstelling van betrokkene geven geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met drie jaar en negen maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 4.000,-.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het eerste bezwaarschrift tot het eerste bestreden besluit van 28 maart 2019 (afgerond naar boven) een jaar en drie maanden geduurd. De behandeling van het beroep en hoger beroep heeft in totaal (afgerond) zes jaar en vijf maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.
Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van de Staat onderscheidenlijk van het Uwv wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [4] De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 3.200,- (36/45 deel van € 4.000,-). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 800,- (9/45 deel van € 2.500,-).
In zaak 21/151 is in bezwaar en beroep sprake geweest van een afzonderlijke behandeling en is in hoger beroep sprake geweest van een gezamenlijke behandeling. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 13 september 2019 van het bezwaarschrift tegen het besluit van 2 september 2019 tot de datum van de aangevallen uitspraak van 21 december 2020 zijn één jaar en bijna drie maanden verstreken. Van overschrijding van de redelijke termijn in de fase van bezwaar en beroep is dan ook geen sprake. Verder wordt voor de fase van het hoger beroep slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Dit brengt mee dat in zaak 21/151 geen vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend.
Proceskosten
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van de beroepen en de hoger beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Aangezien het Uwv de gemaakte kosten in bezwaar reeds heeft vergoed, moet de Raad nog slechts oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.802,- in beroep (2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 3.269,- in hoger beroep (2 punten voor het indienen van de hogerberoepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze, met een waarde per punt van € 934,-).
Daarnaast komen de kosten verbonden aan de inschakeling van een deskundige in hoger beroep voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft de kosten van het uitgebrachte rapport van 9 mei 2022 van verzekeringsarts P.J.A.J. van Amelsfoort en arbeidsdeskundige M. Overduin. Voor deze kosten heeft appellante een vergoeding verzocht van € 2.147,75. Ook deze door het Uwv niet betwiste kosten komen voor vergoeding in aanmerking.
Er bestaat tevens aanleiding om de Staat en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (0,5 punt, met een waarde per punt van € 934,-) voor het indienen van het verzoek, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 233,50.
Het totaalbedrag aan proceskosten dat het Uwv aan appellante moet vergoeden bedraagt daarmee € 8.452,25.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.200,-;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 800,-;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 8.452,25;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 360,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
(getekend) E. Dijt
(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
3.Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, r.o. 2.5.2, en 19 februari 2016, ECLI:HR:2016:252, r.o. 3.10.2 en de uitspraak van de Raad van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1573, r.o. 6.2.
4.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.