ECLI:NL:CRVB:2026:173
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-uitkeringszaak
Appellante stelde hoger beroep in tegen besluiten van het UWV inzake haar WIA-uitkering. Tijdens de procedure kwam het UWV met een gewijzigde beslissing tegemoet aan de bezwaren van appellante, waarna het hoger beroep werd ingetrokken.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De totale procedure duurde ruim zeven jaar, waarbij de redelijke termijn met drie jaar en negen maanden werd overschreden. De Raad kende een schadevergoeding toe van €4.000,-, waarvan €3.200,- voor rekening van de Staat en €800,- voor het UWV.
Daarnaast werden proceskosten toegekend aan appellante voor de kosten in beroep en hoger beroep, inclusief kosten van een deskundigenrapport. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van €8.452,25 aan proceskosten en het griffierecht. De Staat werd veroordeeld tot betaling van €233,50 aan proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding.
De Raad besloot de zaak zonder nieuwe zitting af te doen, omdat partijen geen zitting wensten. De uitspraak werd gedaan op 11 februari 2026 door rechter E. Dijt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat en het UWV tot schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn en intrekking van het hoger beroep.