ECLI:NL:CRVB:2026:188

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
23/3030 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:29 Wsf 2000Art. 3:7 Wsf 2000Art. 3:25 Wsf 2000Art. 8:88 AwbArt. 1.1 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding misgelopen reisrecht studiefinanciering bevestigd

Appellante, een niet-Nederlands Unieburger, vroeg op 20 december 2020 studiefinanciering aan voor haar masteropleiding, waaronder een aanvullende beurs. De minister wees de aanvraag voor de aanvullende beurs grotendeels af, maar kende deze later alsnog toe voor februari tot en met april 2021. Appellante vroeg op 1 april 2021 een reisvoorziening aan, die werd afgewezen voor april tot en met december 2021. Zij verzocht vervolgens om schadevergoeding omdat zij in de periode januari tot en met april 2021 geen gebruik kon maken van het reisrecht.

De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af omdat appellante geen aanvraag voor een reisvoorziening had ingediend op 20 december 2020 en er geen bewijs was van systeemstoringen bij DUO. Ook had appellante niet eerder contact gezocht over problemen met de aanvraag. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat het de eigen verantwoordelijkheid van de student is om de aanvraag en toekenning te controleren. De minister hoeft niet na te vragen of de student ook een reisrecht wil bij een aanvraag voor aanvullende beurs.

Het hoger beroep slaagt niet en de eerdere uitspraak wordt bevestigd. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De Raad corrigeert een kennelijke misslag in het dictum van de rechtbank door expliciet te verklaren dat ook het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb Pro is afgewezen.

De zaak benadrukt dat studiefinanciering uit verschillende componenten bestaat die afzonderlijk moeten worden aangevraagd en dat een eerdere afwijzing geen belemmering vormt voor een nieuwe aanvraag in het digitale systeem Mijn DUO.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens misgelopen reisrecht wordt afgewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/3030 WSF
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2023, 23/680 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 19 februari 2026

SAMENVATTING

Met de rechtbank wordt vastgesteld dat er geen reden is om uit te gaan van een aanvraag voor een reisvoorziening op 20 december 2020 met als gevolg dat het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb door de rechtbank terecht is afgewezen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.S. Folsche, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend, waarop namens appellante is gereageerd
.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 januari 2026. Appellante is niet verschenen. Namens de minister heeft mr. G.J.M. Naber via beeldbellen aan de zitting deelgenomen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellante is niet-Nederlands Unieburger. Zij heeft op 20 december 2020 met ingang van 1 januari 2021 studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 [1] aangevraagd voor haar wo-masteropleiding Artificial Intelligence, in de vorm van een aanvullende beurs.
1.2.
Met een besluit van 10 januari 2021 heeft de minister de aanvraag alleen voor de maand januari 2021 toegewezen. Na bezwaar is de afwijzing van de aanvraag voor het overige gehandhaafd. Tijdens de beroepsprocedure heeft de minister de aanvraag voor een aanvullende beurs alsnog voor de maanden februari 2021 tot en met april 2021 toegewezen. Hierna heeft appellante het beroep ingetrokken. De minister heeft (onder meer) de kosten in bezwaar vergoed.
1.3.
Appellante heeft op 1 april 2021 een reisvoorziening in de vorm van een reisrecht aangevraagd. [2] Met een besluit van 15 juni 2021 heeft de minister deze aanvraag over de periode april 2021 tot en met december 2021 afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.
1.4.
Door middel van een formulier ‘Aanvraag Schadevergoeding studentenreisproduct’ heeft appellante op 29 juli 2022 verzocht om toekenning van schadevergoeding omdat pas achteraf is vastgesteld dat zij over de periode van januari 2021 tot en met april 2021 recht had op studiefinanciering. Hierdoor heeft appellante in die periode geen gebruik kunnen maken van haar reisrecht.
1.5.
Met een besluit van 11 oktober 2022 heeft de minister het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.6.
Met een besluit van 20 december 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 oktober 2022 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een geval waarin aanleiding bestaat voor toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 3:29, eerste lid, van de Wsf 2000. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er ook geen grond bestaat voor vergoeding van schade in de zin van artikel 8:88 van Pro de Awb [3] omdat appellante eerst op 1 april 2021 een reisvoorziening heeft aangevraagd. Appellante wordt niet gevolgd in haar enkele stelling dat het voor haar niet mogelijk was om, naast de aanvullende beurs, ook het reisrecht op 20 december 2020 aan te vragen, te meer nu zij op 1 april 2021 kennelijk wel een reisrecht kon aanvragen. Niet gebleken is bovendien dat appellante destijds contact heeft gezocht met DUO over problemen bij het indienen van haar aanvraag. Verder heeft appellante in de bezwaar- en beroepsprocedure tegen de eerdere gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van 20 december 2020 niet gerept over problemen met het aanvragen van het reisrecht.
Het standpunt van appellante
3.1.
Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er geen grond bestaat voor schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb voor het mislopen van het reisrecht in de periode van januari 2021 tot en met april 2021. Volgens appellante moet worden uitgegaan van een op 20 december 2020 ingediende aanvraag voor een reisvoorziening. Appellante heeft daartoe op de eerste plaats gesteld dat de minister gelet op de omstandigheden de aanvraag van 20 december 2020 niet alleen had moeten opvatten als een aanvraag voor een aanvullende beurs maar ook als een aanvraag voor een reisvoorziening. Appellante had in 2020 immers een reisrecht en omdat dit een prestatiebeurs is die kan worden omgezet in een gift ligt het niet voor de hand dat appellante daar niet opnieuw vanaf januari 2021 gebruik van had willen maken. Van de minister had mogen worden verwacht dat hij bij appellante had nagevraagd of het inderdaad haar bedoeling was om verder af te zien van het reisrecht. Op de tweede plaats heeft appellante gesteld dat het ontbreken van een aanvraag voor een reisvoorziening op 20 december 2020 haar niet kan worden tegengeworpen omdat het voor haar niet mogelijk was om op 20 december 2020 via Mijn DUO, naast de aanvullende beurs, ook een reisvoorziening aan te vragen. Daar stond blijkbaar een in oktober 2020 genomen besluit, waarbij was vastgesteld dat appellante voor 2021 geen recht had op een reisvoorziening, aan in de weg. Appellante kan dit niet bewijzen vanwege het tijdsverloop en omdat Mijn DUO in beheer is bij de minister. Het had dan ook op de weg van de minister gelegen om te onderzoeken of zijn digitale systeem verhindert dat aanvragen worden ingediend waarop eerder afwijzend is beslist. Verzocht wordt de schade in de vorm van het misgelopen voordeel overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 13 november 2025 [4] vast te stellen.
Het standpunt van de minister
3.2.
De minister heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Volgens de minister bestaat geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding omdat geen sprake is van onrechtmatige besluitvorming. Appellante heeft namelijk op 20 december 2020 geen aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een reisproduct.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad stelt allereerst vast dat het dictum van de aangevallen uitspraak een kennelijke misslag bevat omdat daarin alleen het beroep (over de afwijzing van de aanvraag schadevergoeding reisproduct op grond van artikel 3.29 van de Wsf 2000) ongegrond is verklaard en niet ook het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb is afgewezen. Uit overwegingen in de aangevallen uitspraak volgt dat de rechtbank dit verzoek heeft beoordeeld. De Raad zal het dictum dan ook lezen als: verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Omvang van het geding
4.2.
Het hoger beroep is alleen gericht tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb. In geschil is of de minister had moeten uitgaan van een aanvraag voor (ook) een reisvoorziening op 20 december 2020. Partijen zijn het erover eens dat indien daarvan moet worden uitgegaan er sprake is van een grond voor schadevergoeding wegens het misgelopen reisrecht in de periode van januari 2021 tot en met april 2021. De Raad komt tot het oordeel dat wat appellante heeft aangevoerd er niet toe leidt dat de minister moest uitgaan van een aanvraag voor een reisvoorziening op 20 december 2020. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.3.
De grond dat het voor appellante niet mogelijk was om op 20 december 2020, naast de aanvullende beurs, een reisvoorziening aan te vragen heeft zij ook bij de rechtbank aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen waarom deze grond niet slaagt. De Raad is het met het oordeel van de rechtbank, en de daartoe gegeven overwegingen, eens en neemt deze daarom over. Daar wordt aan toegevoegd dat, zoals de minister ter zitting heeft verklaard en de Raad ook bekend is uit andere zaken, een afwijzing van een eerdere aanvraag niet in de weg staat aan het indienen van een nieuwe aanvraag in het digitale systeem van de minister (Mijn DUO), waarvan appellante gebruik heeft gemaakt. De minister heeft verder ter zitting verklaard dat hem niet is gebleken van storingen in het systeem van DUO ten tijde van belang.
4.4.
Het gegeven dat appellante in 2020 over een reisrecht beschikte betekent niet dat de minister in het kader van de beoordeling van de aanvraag van 20 december 2020 voor een aanvullende beurs bij appellante had moeten navragen of zij niet opnieuw een reisrecht wilde. Dat het reisrecht een prestatiebeurs is, is in dit verband van geen betekenis. Studiefinanciering bestaat uit diverse componenten die afzonderlijk kunnen en moeten worden aangevraagd, een en ander geheel afhankelijk van wat de student wenst. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de student om te controleren of de aanvraag betrekking heeft op de componenten studiefinanciering die de student van de minister toegekend wil krijgen.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten.
5.2
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) S. Ploum

Voetnoten

1.Wet studiefinanciering 2000.
2.In artikel 1.1 van de Wsf 2000 zijn definities opgenomen van de begrippen reisvoorziening, reisrecht en reisproduct. In de artikelen 3.7 en 3.25 van de Wsf 2000 zijn deze begrippen nader uitgewerkt. Vereenvoudigd gezegd gaat het om het volgende:
3.Algemene wet bestuursrecht.