Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een niet-Nederlands Unieburger, vroeg op 20 december 2020 studiefinanciering aan voor haar masteropleiding, waaronder een aanvullende beurs. De minister wees de aanvraag voor de aanvullende beurs grotendeels af, maar kende deze later alsnog toe voor februari tot en met april 2021. Appellante vroeg op 1 april 2021 een reisvoorziening aan, die werd afgewezen voor april tot en met december 2021. Zij verzocht vervolgens om schadevergoeding omdat zij in de periode januari tot en met april 2021 geen gebruik kon maken van het reisrecht.
De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af omdat appellante geen aanvraag voor een reisvoorziening had ingediend op 20 december 2020 en er geen bewijs was van systeemstoringen bij DUO. Ook had appellante niet eerder contact gezocht over problemen met de aanvraag. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat het de eigen verantwoordelijkheid van de student is om de aanvraag en toekenning te controleren. De minister hoeft niet na te vragen of de student ook een reisrecht wil bij een aanvraag voor aanvullende beurs.
Het hoger beroep slaagt niet en de eerdere uitspraak wordt bevestigd. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De Raad corrigeert een kennelijke misslag in het dictum van de rechtbank door expliciet te verklaren dat ook het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb Pro is afgewezen.
De zaak benadrukt dat studiefinanciering uit verschillende componenten bestaat die afzonderlijk moeten worden aangevraagd en dat een eerdere afwijzing geen belemmering vormt voor een nieuwe aanvraag in het digitale systeem Mijn DUO.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens misgelopen reisrecht wordt afgewezen.