ECLI:NL:CRVB:2026:191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring verzoek herziening
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin het verzoek tot herziening van een eerdere uitspraak niet-ontvankelijk werd verklaard. De Centrale Raad van Beroep overweegt dat zij niet bevoegd is om kennis te nemen van hoger beroep tegen een niet-ontvankelijkverklaring van een verzoek om herziening, omdat deze uitspraak niet valt onder de reguliere beroepsmogelijkheden zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad verwijst naar vaste rechtspraak waarin is vastgesteld dat een niet-ontvankelijkverklaring van een verzoek om herziening een uitspraak is als bedoeld in titel 8.6 van de Awb, en niet onder afdeling 8.2.6 of artikel 8:86 Awb Pro valt. Hierdoor is de Raad kennelijk onbevoegd om het hoger beroep te behandelen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier A.H. Hagendoorn-Huls, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek tot herziening.