ECLI:NL:CRVB:2017:2804
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bijstandsverlening zelfstandigen en recht op wettelijke rente bij vertraagde uitbetaling
Appellante, een gevestigde zelfstandige, verzocht bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) wegens onvoldoende inkomsten uit haar onderneming. Het college wees diverse aanvragen af, onder meer omdat de inkomsten van haar partner boven de bijstandsnorm lagen en omdat de maximale bijstandsperiode was bereikt.
De Raad stelde vast dat bij de definitieve vaststelling van het recht op bijstand alle inkomsten in het gehele boekjaar moeten worden meegenomen, niet alleen die tijdens de bijstandsperiode. Verlenging van de maximale bijstandsperiode is alleen mogelijk bij externe omstandigheden van tijdelijke aard, wat hier niet was aangetoond.
Verder oordeelde de Raad dat de brief van het college waarin uitvoering werd gegeven aan een eerdere uitspraak geen besluit met rechtsgevolg was, waardoor bezwaar daartegen niet ontvankelijk was. Het college werd veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de vertraagde uitbetaling van de bijstand. Verzoeken om vergoeding van overige materiële en immateriële schade werden afgewezen.
Ten slotte verklaarde de Raad zich onbevoegd kennis te nemen van hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van een verzoek om herziening. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en kosten van rechtsbijstand.
Uitkomst: De Raad bevestigt de afwijzing van verlenging van bijstand, oordeelt dat alle inkomsten in het boekjaar meetellen en veroordeelt het college tot betaling van wettelijke rente over vertraagde bijstand.