ECLI:NL:CRVB:2026:204
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV en toewijzing proceskosten en schadevergoeding redelijke termijn
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV inzake een WIA-uitkering. Het UWV nam op 21 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar waarin het volledig aan de bezwaren van appellante tegemoetkwam. Naar aanleiding hiervan trok appellante het hoger beroep in en verzocht om veroordeling van het UWV in proceskosten en om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de procedure vanaf ontvangst van het bezwaarschrift op 28 januari 2021 tot de tegemoetkomende beslissing op 21 oktober 2025 vier jaar en negen maanden had geduurd, wat negen maanden langer was dan de redelijke termijn. De Raad kende daarom een immateriële schadevergoeding toe van € 1.000,- en veroordeelde de Staat tot betaling hiervan.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante voor zowel de beroeps- als hoger beroepsfase, begroot op in totaal € 6.160,60, inclusief griffierechten en een factuur van een expertise-instituut. Ook werden de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding aan de Staat opgelegd.
De Raad besloot het onderzoek zonder zitting voort te zetten en wees de verzochte vergoedingen toe, waarmee de procedure werd beëindigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ingetrokken na tegemoetkoming door het UWV, met veroordeling van het UWV in proceskosten en van de Staat in een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.