ECLI:NL:CRVB:2026:204

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
22/2198 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV en toewijzing proceskosten en schadevergoeding redelijke termijn

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV inzake een WIA-uitkering. Het UWV nam op 21 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar waarin het volledig aan de bezwaren van appellante tegemoetkwam. Naar aanleiding hiervan trok appellante het hoger beroep in en verzocht om veroordeling van het UWV in proceskosten en om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de procedure vanaf ontvangst van het bezwaarschrift op 28 januari 2021 tot de tegemoetkomende beslissing op 21 oktober 2025 vier jaar en negen maanden had geduurd, wat negen maanden langer was dan de redelijke termijn. De Raad kende daarom een immateriële schadevergoeding toe van € 1.000,- en veroordeelde de Staat tot betaling hiervan.

Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante voor zowel de beroeps- als hoger beroepsfase, begroot op in totaal € 6.160,60, inclusief griffierechten en een factuur van een expertise-instituut. Ook werden de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding aan de Staat opgelegd.

De Raad besloot het onderzoek zonder zitting voort te zetten en wees de verzochte vergoedingen toe, waarmee de procedure werd beëindigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ingetrokken na tegemoetkoming door het UWV, met veroordeling van het UWV in proceskosten en van de Staat in een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

22/2198 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
22/2198 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 juli 2022, 21/3180 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[ex-werkgever] B.V. (ex-werkgever)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 25 februari 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.J. Hoogeveen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 21 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 30 oktober 2025 heeft mr. Hoogeveen namens appellante het hoger beroep ingetrokken en verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten betreffende het beroep en hoger beroep. Daarnaast heeft appellante verzocht om toewijzing van een vergoeding van schade ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit laatste verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 21 oktober 2025 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen
Proceskosten
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 3.736,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor de zitting, tweemaal 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen en de zienswijze van 20 juni 2024 en 8 mei 2025 op het rapport van B. Sorgdrager, 0,5 punt voor de zienswijze van 9 oktober 2025 op het rapport van M. Vervoort en 0,5 punt voor de nadere zitting van 27 augustus 2025, met een waarde per punt van € 934,-). Daarnaast is een factuur van het Expertise Instituut ten bedrag van € 556,60 ingediend. Ook die kosten dient het Uwv te vergoeden. In totaal bedragen de door het Uwv aan appellante te vergoeden proceskosten, € 6.160,60.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn
Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt het volgende.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [1] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt. [2]
In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 21 oktober 2025 bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 28 januari 2021 tot de bekendmaking van het tegemoetkomend besluit heeft de procedure vier jaar en negen maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met negen maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-. De Raad stelt vast dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. De Staat wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.000,-.
Er bestaat aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 6.160,60;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 467,-.
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.