ECLI:NL:CRVB:2026:210

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
23/3027 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling bevestigd

Appellante was ziekgemeld wegens zwangerschaps- en bevallingsklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 6 oktober 2022, omdat zij volgens een arbeidsdeskundige meer dan 65% van haar laatstverdiende loon kan verdienen in passende functies. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij het medisch onderzoek van het UWV als zorgvuldig en juist werd beoordeeld.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV haar gewrichts- en psychische klachten had onderschat, onderbouwd met rapporten van reumatologen en psychologen. Het UWV reageerde met rapporten van verzekeringsartsen bezwaar en beroep die geen aanleiding zagen om het medisch oordeel te wijzigen. De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek geschorst om nadere vragen te stellen en aanvullende rapporten te ontvangen.

De Raad concludeert dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld en dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn. De psychische klachten zijn niet relevant voor de datum van de beëindiging, omdat de behandeling pas later begon. De hand- en polsklachten zijn volgens de verzekeringsarts voldoende in de Functionele Mogelijkhedenlijst verwerkt. Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de ZW-uitkering blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering omdat het UWV het medisch oordeel zorgvuldig heeft vastgesteld en appellante meer dan 65% van haar loon kan verdienen.

Uitspraak

23/3027 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/3027 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 september 2023, 23/702 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 6 oktober 2022 heeft beëindigd. Volgens appellante is zij door haar (medische) beperkingen niet in staat om de passende functies te vervullen, zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZWuitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.A.E. Vancraeynest hoger beroep ingesteld, een deskundigenrapport en nadere medische stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.
Bij brief van 11 april 2024 heeft mr. S.J.W.C. Lipman zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 februari 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lipman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen om een vraag van de Raad voor te leggen aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep en om de verzekeringsarts bezwaar en beroep te laten reageren op door appellante overgelegde nadere medische stukken over haar psychische klachten.
Het Uwv heeft een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd. Appellante heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft aan partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als algemeen medewerker voor 35,86 uur per week. Na een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg heeft zij zich op 25 april 2021 ziekgemeld wegens zwangerschaps- of bevallingsklachten. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars ZWbeoordeling (EZWb) heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 augustus 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 5 september 2022 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 6 oktober 2022 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
1.2.
Bij besluit van 28 februari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek in bezwaar, in combinatie met het onderzoek in de primaire fase, voldoende zorgvuldig is verricht en de conclusies kan dragen. Ook is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Uit de rapporten blijkt dat de artsen van het Uwv voldoende bekend waren en rekening hebben gehouden met de door appellante naar voren gebrachte diagnoses, klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen. Appellante heeft in beroep geen medische gegevens overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling, heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Ook heeft de arbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd waarom appellante voldoet aan het voor haar vastgestelde opleidingsniveau 2.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv ten onrechte voorbij is gegaan aan de informatie van de behandelend reumatoloog, J.T.H. van Zadelhoff, in de brieven van 19 mei 2022 en 12 januari 2023. Uit deze informatie blijkt volgens appellante dat rond de datum in geding sprake was van ontstekingen in meerdere gewrichten. De reumatoloog heeft te kennen gegeven dat de werkzaamheden en de belastbaarheid hierop aangepast moeten worden. Appellante acht zich niet in staat om werk te doen waarbij zij frequent met haar rechterarm en pols een pengreep, pincetgreep, sleutelgreep, cilindergreep en fijne motoriek of het werken met toetsenbord en muis dient uit te voeren. Omdat dit in de geselecteerde functies veelvuldig voorkomt, zijn deze functies niet geschikt voor appellante. Appellante heeft in hoger beroep een deskundigenrapport van 29 januari 2024 van reumatoloog G.H.C. Schardijn overgelegd, met daarbij gevoegd uitslagen van laboratoriumonderzoeken van 31 januari 2022 tot en met 6 februari 2023, een botscintigrafie van 13 mei 2022, informatie van de huisarts van 23 januari 2024 en informatie van reumatoloog Van Zadelhoff van 16 november 2023. Uit deze informatie blijkt volgens appellante dat het Uwv haar gewrichtsklachten heeft onderschat. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat het Uwv haar psychische klachten heeft onderschat. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante in hoger beroep informatie overgelegd van haar behandelend psycholoog en psychiater.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft rapporten van 14 mei 2024 en 26 februari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd waarin zij heeft gereageerd op de door appellante overgelegde medische informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien voor een ander standpunt over de belastbaarheid van appellante.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZWuitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatst verdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. [1] Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. De primaire arts van het Uwv heeft appellante lichamelijk onderzocht en in het rapport van 23 augustus 2022 over de polsklachten vermeldt dat hij geen afwijkende botcontour en geen zwelling heeft gezien, maar dat wel sprake is van drukpijn rechts. De primaire arts heeft op 23 augustus 2022 een FML opgesteld waarin de knijp- en grijpkracht (punt 4.3.6 FML) en schroefbewegingen met arm en hand (punt 4.6 FML) beperkt zijn. Ook zijn in rubriek 1 beperkingen aangenomen wegens de spanningsklachten van appellante en is appellante beperkt voor ’s nachts werken en werken in sterk wisselende diensten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was bij de hoorzitting aanwezig en heeft appellante aansluitend gesproken tijdens een spreekuurcontact. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een kort lichamelijk onderzoek verricht waarbij ze een normale vorm en functie van de polsen heeft waargenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door de primaire arts opgestelde FML onderschreven.
4.3.
In hoger beroep heeft appellante een deskundigenrapport van 29 januari 2024 van reumatoloog Schardijn overgelegd. Reumatoloog Schardijn heeft na dossierstudie geconcludeerd dat het aannemelijk is dat ten tijde van het onderzoek door het Uwv bij appellante nog een persisterende ontsteking in de rechterhand en pols aanwezig was. Dit wordt bevestigd door reumatoloog Van Zadelhoff in een brief van 16 november 2023. Schardijn heeft ervoor gepleit appellante op de datum in geding, 6 oktober 2022, ongeschikt te achten voor elke loonvormende arbeid waarbij de rechterpols moet worden gebruikt.
4.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 14 mei 2024 gereageerd op het deskundigenrapport. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld dat destijds noch de primaire arts noch de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij appellante afwijkingen van de gewrichten heeft geconstateerd. Wel kwamen uit beeldvormend onderzoek aanwijzingen naar voren voor een gewrichtsontsteking, reden waarom een fors verminderde belastbaarheid is vastgelegd in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts gesteld dat zij het deskundigenrapport voor kennisgeving aanneemt, nu Schardijn geen uitspraak heeft gedaan over de belastbaarheid van appellante op de datum in geding en geen gedetailleerd commentaar heeft gegeven op de FML.
4.5.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen om de verzekeringsarts bezwaar en beroep de vraag voor te leggen of de ontsteking van de rechterhand en pols, die achteraf toch aanwezig bleek te zijn op de datum in geding en waarvan de primaire arts bij het opstellen van de FML van 23 augustus 2022 niet op de hoogte was, niet tot het aannemen van meer en/of andere beperkingen had moeten leiden, zoals appellante heeft aangevoerd. Ook heeft de Raad aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep verzocht om te reageren op de door appellante overgelegde stukken van de behandelend psycholoog en psychiater.
4.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op de vraagstelling van de Raad gereageerd in een rapport van 26 februari 2025. Hierin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat zij geen aanleiding ziet om de belastbaarheid van appellante te wijzigen wegens haar gewrichtsklachten of psychische klachten.
4.7.
Appellante heeft in reactie op het rapport van 26 februari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar standpunt herhaald dat het Uwv haar psychische klachten en haar gewrichtsklachten heeft onderschat. Appellante acht zich niet in staat om polsbelastend werk te verrichten en de verschillende handgrepen uit te voeren. Dit standpunt wordt volgens appellante ondersteund door het deskundigenrapport van 29 januari 2024 van reumatoloog Schardijn.
4.8.
Geoordeeld wordt dat het Uwv met de rapporten van 14 mei 2024 en 26 februari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om voor appellante wegens haar psychische en lichamelijke klachten meer beperkingen aan te nemen. Over de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 26 februari 2025 voldoende gemotiveerd dat de door appellante overgelegde stukken van de behandelend psycholoog en psychiater geen nieuwe informatie bevatten over haar psychische situatie rond de datum in geding, 6 oktober 2022. Uit de stukken blijkt dat appellante pas sinds maart 2024 bij hen in behandeling is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen reden om te veronderstellen dat er rond de datum in geding sprake was van een ernstig psychiatrisch beeld. Ook gebruikte appellante destijds, voor zover de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan nagaan, nog geen psychofarmaca. Wel had appellante last van sterke vermoeidheid en een verminderde stemming. Hiermee is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende rekening gehouden in de FML van 23 augustus 2022. Dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd. Over de hand- en polsklachten van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat uit de expertise van reumatoloog Schardijn blijkt dat het bij deze specifieke aandoening vaker voorkomt dat de patiënt weliswaar klachten heeft van pijnlijke gewrichten en stijfheid, maar dat bij lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek weinig afwijkingen te vinden zijn. Men spreekt dan van een ‘droge gewrichtsontsteking’, dus zonder zwellingen of misvormingen. Ook bij appellante zijn door de behandelend artsen en de artsen van het Uwv bij lichamelijk onderzoek geen afwijkingen gevonden. Dat er toch sprake was van aangetaste gewrichten bleek pas later bij beeldvormend onderzoek. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is met de klachten van het bewegingsapparaat in voldoende mate rekening gehouden bij het opstellen van de FML, in die zin dat zwaardere gewrichtsbelasting moet worden vermeden. Omdat bij appellante geen sprake is van gewrichtszwellingen of misvormingen, zijn de diverse hand- en vingergrepen zoals de pen- en sleutelgreep, naar het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep normaal mogelijk. Appellante moet wel het zwaarder kracht zetten en het maken van zwaardere schroefbewegingen vermijden, maar hiervoor zijn al beperkingen aangenomen in de FML van 23 augustus 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen reden is om de FML aan te passen wegens de handklachten. Er is geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Arbeidskundige beoordeling
4.9.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 23 augustus 2022, heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Het hand- en vingergebruik in de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies levert geen signaleringen op.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) G.T. Hunsel

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.