ECLI:NL:CRVB:2026:219

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
25/418 WAJONG-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond wegens betalingsonmacht bij niet-ontvankelijkverklaring verzoek herziening WAJONG-uitspraak

Appellant had een verzoek tot herziening van een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingediend, maar dit verzoek werd op 21 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht. Appellant stelde in verzet dat hij niet tijdig op de hoogte was gesteld van het verschuldigde griffierecht en dat hij in betalingsonmacht verkeerde. Hij voerde aan dat door een stressvolle situatie het bewijs van betalingsonmacht per abuis naar een andere rechtbank was gestuurd.

De Raad stelde vast dat het griffierecht inderdaad niet tijdig was betaald, wat normaal gesproken leidt tot niet-ontvankelijkheid. Echter, op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien aannemelijk is dat de indiener op de uiterste betaaldatum in betalingsonmacht verkeerde. Uit de ingediende stukken bleek dat appellant op die datum daadwerkelijk in betalingsonmacht verkeerde.

Daarom werd het verzet gegrond verklaard, de eerdere niet-ontvankelijkverklaring verviel en het onderzoek werd voortgezet in de stand waarin het zich bevond. De uitspraak werd gedaan door K.H. Sanders, in aanwezigheid van griffier H. de Brabander, op 23 februari 2026.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt voortgezet omdat appellant in betalingsonmacht verkeerde.

Uitspraak

Datum uitspraak: 23 februari 2026
25/418 WAJONG-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 november 2024, CRvB 19/ 528 WAJONG (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Awb van 21 augustus 2025 heeft de Raad het door appellant ingestelde verzoek om herziening van de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op de zitting van 17 november 2025. Appellant en het UWV zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. In de uitspraak van 21 augustus 2025 heeft de Raad geoordeeld dat het verzoek om herziening kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat appellant het verschuldigde griffierecht niet heeft betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest.
2. In verzet heeft appellant aangevoerd dat hij ten zeerste betwijfelt dat hem op 5 maart en op 7 april 2025 door de griffier is medegedeeld dat er griffierecht verschuldigd is. Hij heeft erop gewezen dat hij een postadres heeft waarvan de beheerder beperkt aanwezig is. De beheerder heeft appellant laten weten dat hij nimmer een aangetekend poststuk voor ontvangst tekent dat niet voor hem bedoeld is. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij in betalingsonmacht verkeerde en zijn bewijs daarvan vanwege de stressvolle situatie waarin hij zich bevindt per ongeluk naar de rechtbank Limburg heeft verstuurd omdat daar ook procedures liepen.
3. Vaststaat dat het griffierecht niet tijdig is betaald, hetgeen in beginsel leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening. Op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft die niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien aannemelijk is dat de indiener van het beroepschrift op de datum waarop het bedrag uiterlijk moet zijn bijgeschreven of gestort, in betalingsonmacht verkeert. Uit de stukken die appellant in deze verzetsprocedure heeft ingediend is gebleken dat hij op bedoelde datum inderdaad in betalingsonmacht verkeerde.
4. Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard, de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2025 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) H. de Brabander