ECLI:NL:CRVB:2026:219
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond wegens betalingsonmacht bij niet-ontvankelijkverklaring verzoek herziening WAJONG-uitspraak
Appellant had een verzoek tot herziening van een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingediend, maar dit verzoek werd op 21 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht. Appellant stelde in verzet dat hij niet tijdig op de hoogte was gesteld van het verschuldigde griffierecht en dat hij in betalingsonmacht verkeerde. Hij voerde aan dat door een stressvolle situatie het bewijs van betalingsonmacht per abuis naar een andere rechtbank was gestuurd.
De Raad stelde vast dat het griffierecht inderdaad niet tijdig was betaald, wat normaal gesproken leidt tot niet-ontvankelijkheid. Echter, op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien aannemelijk is dat de indiener op de uiterste betaaldatum in betalingsonmacht verkeerde. Uit de ingediende stukken bleek dat appellant op die datum daadwerkelijk in betalingsonmacht verkeerde.
Daarom werd het verzet gegrond verklaard, de eerdere niet-ontvankelijkverklaring verviel en het onderzoek werd voortgezet in de stand waarin het zich bevond. De uitspraak werd gedaan door K.H. Sanders, in aanwezigheid van griffier H. de Brabander, op 23 februari 2026.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt voortgezet omdat appellant in betalingsonmacht verkeerde.