ECLI:NL:CRVB:2026:223

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
24/2713 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering ten onrechte betaalde vergoedingen kazerneringsdiensten brandweervrijwilliger

Appellant, brandweervrijwilliger sinds 2018, ontving vergoedingen voor kazerneringsdiensten die hij feitelijk niet had gedraaid. Door een administratieve fout werden vanaf mei 2022 meerdere diensten ten onrechte uitbetaald, met een totaalbedrag van €954,60. Het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio vorderde dit bedrag terug en verrekende het met toekomstige vergoedingen.

De rechtbank Overijssel oordeelde dat appellant redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving, mede omdat kazerneringsvergoedingen als aparte post op de loonstroken stonden en hij zich deels had laten uitroosteren. Appellant stelde in hoger beroep dat de wisselende hoogte van de vergoedingen controle bemoeilijkte, maar dit werd door de Raad verworpen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en stelde dat van appellant een aanzienlijke mate van oplettendheid mocht worden verwacht bij het controleren van loonstroken en roosters. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot terugvordering en verrekening van te veel betaalde vergoedingen blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2713 AW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 oktober 2024, 24/2128 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio [regio] (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 26 februari 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de vraag of het dagelijks bestuur een ten onrechte betaald bedrag aan vergoedingen voor kazerneringsdiensten heeft mogen terugvorderen en verrekenen. De Raad beantwoordt deze vraag net als de rechtbank bevestigend.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 januari 2026. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Boiten en R.H. Overbeek.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant werkt sinds 2018 als vrijwilliger bij de brandweer van de Veiligheidsregio [regio]. Voor brandweervrijwilligers wordt jaarlijks een rooster opgesteld. Voor de periodes waarin zij niet beschikbaar (willen) zijn kunnen brandweervrijwilligers zich laten uitroosteren.
1.2.
Appellant krijgt als vrijwilliger een vergoeding voor het draaien van kazerneringsdiensten. Bij een uitruk tijdens de kazerneringsdienst wijzigt de hoogte van de vergoeding. De vergoeding wordt maandelijks achteraf uitbetaald.
1.3.
In mei 2023 heeft de teamleider van appellant laten weten dat er een fout is gemaakt in de administratie waardoor er vanaf mei 2022 kazerneringsdiensten waarvoor appellant was uitgeroosterd ten onrechte zijn uitbetaald. Het gaat om vijf diensten in juli 2022, drie in augustus 2022, twee in september 2022 en twee in april 2023. Het teveel uitbetaalde bedrag is berekend op € 954,60.
1.4.
Met een besluit van 28 juni 2023 heeft het dagelijks bestuur het teveel uitbetaalde bedrag van € 954,60 van appellant teruggevorderd. Dit bedrag zal worden verrekend met de vergoedingen over de maanden juli 2023 tot en met december 2024.
1.5.
Met een besluit van 25 januari 2024 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2023 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat appellant € 954,60 te veel aan vergoedingen heeft ontvangen van de veiligheidsregio, omdat hij kazerneringsdiensten uitbetaald heeft gekregen die hij feitelijk niet heeft gedraaid. De rechtbank heeft overwogen dat appellant in dit geval redelijkerwijs had kunnen weten dat de door hem ontvangen vergoeding voor werkzaamheden in de maanden juli, augustus en september 2022 en april 2023 te hoog was. Appellant had zich in de betreffende maanden deels laten uitroosteren voor kazerneringsdiensten. Kazernering is als aparte post op de loonstroken vermeld, waardoor het relatief eenvoudig was om te controleren of de bedragen juist waren. Van appellant had gelet hierop en gelet op het sterk wisselende karakter van de vergoedingen, meer oplettendheid mogen worden verwacht. Appellant had dus redelijkerwijs kunnen weten dat de uitbetaling ook in deze maanden niet klopte. Het dagelijks bestuur heeft het bedrag van € 954,60 dan ook van appellant kunnen terugvorderen en verrekenen met komende betalingen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij tegen deze uitspraak heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de terugvordering en verrekening van het teveel uitbetaalde bedrag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
De Raad stelt vast dat het bestreden besluit uitsluitend betrekking heeft op de terugvordering en verrekening van de vergoedingen voor kazerneringsdiensten die appellant feitelijk niet heeft gedraaid. Het bestreden besluit heeft geen betrekking op de uitbetaling van verlofuren. De vraag of appellant als brandweervrijwilliger recht heeft op betaald verlof kan dan ook niet aan de orde komen in deze procedure. Wat appellant hierover heeft aangevoerd laat de Raad daarom buiten beschouwing.
4.2.
Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan in een situatie waarin de ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving, in beginsel wat aan de ambtenaar onverschuldigd is betaald gedurende twee jaar, en in het geval van toedoen van de ambtenaar gedurende vijf jaar, na de dag van uitbetaling kan terugvorderen. [1]
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat een bedrag van € 954,60 aan vergoedingen voor kazernediensten ten onrechte aan appellant is uitbetaald. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant redelijkerwijs had kunnen weten dat hij teveel ontving.
4.4.
Het betoog van appellant dat het voor hem vanwege de wisselende hoogte van de vergoedingen niet makkelijk is om te controleren of hij het juiste bedrag ontvangt, wordt niet gevolgd. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat van een betrokkene een aanzienlijke mate van oplettendheid mag worden verwacht bij het controleren van afrekeningen en specificaties. [2] Kazernering is op de loonstroken als aparte post vermeld. Appellant had daarom eenvoudig aan de hand van de loonstroken en het rooster van de maand ervoor kunnen controleren of het aan hem uitbetaalde bedrag aan vergoedingen voor kazerneringsdiensten juist was. Dat appellant geen verschil zag met de loonstroken van de maand ervoor of de loonstroken over dezelfde maanden in 2021 en dat in zijn geval ook in 2021 vergoedingen voor niet gedraaide kazerneringsdiensten zijn uitbetaald, kan hieraan niet afdoen, juist omdat appellant wist dat hij niet iedere maand voor hetzelfde aantal kazerneringsdiensten was ingeroosterd en dat hij voor de diensten waarvoor hij was uitgeroosterd geen kazerneringsvergoeding behoorde te krijgen.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.

(getekend) H. Lagas

(getekend) C.C.M. van ‘t Hol

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 14 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1642.
2.Zie de uitspraak van 25 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3170.