ECLI:NL:CRVB:2026:233
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 50,03% per 20 juli 2022
Appellant, die als schoonmaker werkte, meldde zich ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidskundige rapporten de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 50,03% per 20 juli 2022. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies passend.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, met name door astma, depressie en slaapproblemen, onvoldoende waren erkend en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren. Het UWV handhaafde haar standpunt en bracht aanvullende rapporten in. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant de grond over rook en gas in hoger beroep had prijsgegeven en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren onderbouwd.
Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk niet deugdelijk was gemotiveerd, was aannemelijk dat appellant hierdoor niet benadeeld was omdat het besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. De Raad bevestigde het besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellant terecht heeft vastgesteld op 50,03% per 20 juli 2022.