ECLI:NL:CRVB:2026:233

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
25/641 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 6:22 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 50,03% per 20 juli 2022

Appellant, die als schoonmaker werkte, meldde zich ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidskundige rapporten de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 50,03% per 20 juli 2022. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies passend.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, met name door astma, depressie en slaapproblemen, onvoldoende waren erkend en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren. Het UWV handhaafde haar standpunt en bracht aanvullende rapporten in. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant de grond over rook en gas in hoger beroep had prijsgegeven en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren onderbouwd.

Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk niet deugdelijk was gemotiveerd, was aannemelijk dat appellant hierdoor niet benadeeld was omdat het besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. De Raad bevestigde het besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellant terecht heeft vastgesteld op 50,03% per 20 juli 2022.

Uitspraak

25/641 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/641 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 februari 2025, 24/3437 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de WIA-uitkering van appellant per 20 juli 2022 terecht heeft vastgesteld op 50,03%. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld en medische stukken ingestuurd.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en stukken ingestuurd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Namens appellant is mr. Willering verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaker voor 38 uur per week. Op 22 juli 2020 heeft hij zich, terwijl hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, ziekgemeld. Nadat appellant een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft een Uwv-arts hem op spreekuur gezien. Deze arts heeft in zijn rapport van 29 juni 2023 vastgesteld dat sprake is van een depressieve episode, hypothyreoïdie, astma en allergie en heeft appellant beperkt geacht in persoonlijk en sociaal functioneren en voor werkzaamheden waar sprake is van veelvuldige blootstelling aan stof, rook, gas, damp, schoonmaakmiddelen, parfum en gras/boom/kat/huisstofmijt. Vanwege de energetische belemmeringen is appellant beperkt geacht voor zware tilbelasting en lang lopen en is een urenbeperking aangenomen voor gemiddeld zes uur per dag en dertig uur per week. De beperkingen heeft de Uwv-arts neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 juni 2023. Een arbeidsdeskundige heeft op 26 juli 2023 vastgesteld dat appellant niet geschikt is voor zijn eigen werk als schoonmaker. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens drie functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 50,03%.
1.2.
Bij besluit van 2 augustus 2023 is aan appellant per 20 juli 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Bij besluit van 2 augustus 2023 is deze uitkering per 4 september 2022 omgezet in een WGA-vervolguitkering.
1.3.
De bezwaren van appellant tegen de besluiten van 2 augustus 2023 heeft het Uwv bij besluit van 12 juni 2024 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 mei 2024 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 juni 2024 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant niet op spreekuur gezien omdat appellant de voorkeur had voor een telefoongesprek. Hij heeft informatie opgevraagd bij de behandelend psychiater en longarts. Volgens deze verzekeringsarts heeft de primaire Uwv-arts de beperkingen van appellant juist vastgesteld en leidt de informatie van de behandelend artsen niet tot andere inzichten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de primaire arbeidsdeskundige gevolgd.
Het oordeel van de rechtbank
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest. De primaire arts heeft de beschikbare medische informatie bij zijn onderzoek betrokken en heeft appellant op een spreekuur gezien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de dossiergegevens bestudeerd en de in bezwaar ingebrachte medische informatie, waaronder informatie van de behandelend psycholoog en psychiater van 21 mei 2024 en de behandelend longarts van 30 april 2024 bij zijn beoordeling betrokken. Het was de bedoeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om appellant ook op een fysiek spreekuur te zien, maar appellant gaf zelf de voorkeur aan een telefonisch spreekuur. Verder heeft de rechtbank geen aanwijzingen gezien dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. De rapporten van de (verzekerings)artsen zijn concludent en bevatten geen inconsistenties. Er wordt voldoende ingegaan op de door appellant in bezwaar overgelegde medische informatie. Appellant heeft geen medische stukken ingebracht die de rechtbank aanleiding hebben gegeven tot twijfel aan de verzekeringsgeneeskundige beoordeling.
2.2.
Ook de arbeidsdeskundige heeft naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn. De signaleringen zijn toereikend besproken. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank dan ook niet ingezien dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant ongeschikt zijn.
Het standpunt van appellant
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er onvoldoende beperkingen zijn vastgesteld voor zijn astma, voor zijn ernstig verstoorde energiehuishouding als gevolg van slaapproblemen en voor zijn depressie en angststoornissen.
3.2.
Verder heeft hij aangevoerd dat de geselecteerde functies voor hem niet geschikt zijn. De functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) is voor hem niet passend omdat hij te veel prikkels krijgt, wordt afgeleid door anderen, hij niet tegen de soldeerdamp kan, zijn handen af en toe trillen, fijne motoriek ontbreekt, hij moeite heeft met tastzin en het achter elkaar verrichten van handelingen. Vanwege zijn astma gebruikt hij Ventolin (met de werkzame stof Salbutamol) en daarna heeft hij last van trillende handen. De functie van medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) is niet geschikt omdat hij te veel prikkels krijgt en afgeleid wordt door anderen, hij niet kan samenwerken vanwege te veel stress en angst, niet tegen de geluidsbelasting kan en omdat hij niet in staat is om twintig kilo te tillen, ook niet incidenteel. De functie van medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBCcode 268030) kan appellant niet vervullen omdat hierbij wordt gewerkt in een stoffige omgeving waar veel papier is en een magazijn waar alle boeken staan en wordt gewerkt met lijm, dat een trigger kan zijn voor zijn astma. Verder is die functie ongeschikt omdat fijne motoriek en een goede tastzin daarvoor vereist zijn. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een brief van de longarts van 12 februari 2025, een bijsluiter van Ventolin en informatie van zijn apotheek.
Het standpunt van het Uwv
3.3.
Het Uwv heeft een bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Over de gronden in hoger beroep heeft het Uwv het volgende opgemerkt. Omdat uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank op 15 januari 2025 blijkt dat appellant de grond over rook en gas heeft prijsgegeven, kan appellant deze grond niet meer in hoger beroep aanvoeren. Voor zover de Raad meent dat deze grond toch kan worden aangevoerd, is met deze klachten rekening gehouden in de FML van 30 juni 2023. Ook de arbeidsdeskundigen hebben de belasting in de geselecteerde functies op deze aspecten beoordeeld en de geselecteerde functies geschikt bevonden. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle beschikbare informatie, waaronder de door hem opgevraagde informatie van PuntP, bij zijn beoordeling betrokken en geen aanleiding gezien om verdergaande beperkingen aan te nemen. De arbeidsdeskundigen hebben gemotiveerd dat en waarom de belasting in de geselecteerde functies binnen de vastgestelde belastbaarheid blijft.
3.4.
In hoger beroep heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep T.S. de Lange op 26 november 2025 zich op het standpunt gesteld dat de in hoger beroep aangevoerde medische gronden en de ingestuurde medische informatie hem niet tot een ander standpunt leiden. Ook heeft de arbeidsdeskundige in hoger beroep een nader rapport van 27 november 2025 uitgebracht. Deze arbeidsdeskundige heeft de arbeidsongeschiktheid van appellant per 20 juli 2022 gewijzigd vastgesteld op 29,81%. Het Uwv heeft dit niet geëffectueerd en de WIA-uitkering ongewijzigd per 20 juli 2022 laten doorlopen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 50,03 %.

Het oordeel van de Raad

4.1.
In geschil is of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 20 juli 2022 heeft vastgesteld op 50,03% De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende.
4.2.
Gelet op wat in het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank is opgenomen heeft appellant de beroepsgrond, dat hij meer beperkt is voor rook en damp dan door het Uwv in de FML is vastgesteld, in beroep expliciet prijsgegeven. Dit betekent dat de juistheid van de voor appellant aangenomen belastbaarheid in hoger beroep op dit punt niet meer ter discussie kan worden gesteld. De Raad verwijst hiervoor naar zijn vaste rechtspraak. [1]
Medische beoordeling
4.3.
De Raad stelt vast dat de door appellant aangevoerde gronden in hoger beroep over de geschiktheid van de geselecteerde functies in feite gericht zijn op de door de (verzekerings)artsen in de FML van 30 juni 2023 vastgestelde beperkingen. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de medische beoordeling is deels een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak besproken en de Raad onderschrijft de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.
De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep De Lange in hoger beroep gegeven aanvullende toelichting van 26 november 2025 wordt eveneens gevolgd. Deze verzekeringsarts heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat en waarom er geen verdergaande beperkingen in de FML van 30 juni 2023 worden aangenomen. In de brief van de longarts van 12 februari 2025 heeft deze verzekeringsarts bevestigd gezien dat de longfunctie van appellant goed is en dat stress, angst en disfunctionele ademhaling een grote rol spelen bij het gevoel van kortademigheid. Gelet hierop en omdat in de informatie van de longarts de term ‘niet-allergische astma’ niet wordt genoemd, is een beperking voor lijmgeuren daarom ook niet noodzakelijk. Een urenbeperking vanwege astma heeft deze verzekeringsarts niet nodig geacht omdat de longfunctietest normaal is. Het slechte slapen van appellant is ondervangen met de gestelde urenbeperking van zes uur per dag en dertig uur per week. Met de op de datum in geding al een jaar lang gebruikte schildkliermedicatie, is de ergste vermoeidheid in verband met de schildklier verholpen. Een verdergaande urenbeperking is niet aan de orde omdat geen sprake is van een slaapstoornis of ernstige OSAS en geen sprake is van een ernstige recidiverende depressie met vitale kenmerken. Verder was op de datum in geding geen sprake van een tremor. De door appellant gestelde bijwerking van Ventolin is niet plausibel, omdat sprake is van een lage dosis en trillende handen zich alleen voordoen bij een hoge dosis. Bovendien is het gebruik van Ventolin door appellant niet op medisch voorschrift en wordt de gestelde bijwerking van trillende handen niet door de longarts of andere (verzekerings)artsen genoemd. Verder blijkt uit het rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep P.M. Cramer van 30 mei 2024 dat hij de informatie van de behandelend psychiater en GZ-psycholoog van 21 mei 2024 in zijn beoordeling heeft meegewogen. Daarin worden de door appellant gestelde angststoornis, problemen met de sociale interactie of verhoogde prikkelgevoeligheid niet genoemd en deze klachten zijn ook niet benoemd bij het spreekuur van de primaire verzekeringsarts van 26 juli 2023. De in de brief van 21 mei 2024 genoemde klachten van onder andere somberheid en een algeheel gevoel van stress, zijn ruim voldoende ondervangen doordat in de FML al veel beperkingen gelden om stress in werk te beperken. In de eerdere brief van de psycholoog en psychiater van 1 november 2021 wordt nog wel de diagnose paniekstoornis genoemd maar er zijn geen aanwijzingen voor uitlokkende factoren in werk die beperkt zouden moeten worden. Over de tinnitus heeft deze verzekeringsarts bezwaar en beroep geoordeeld dat die aandoening vervelend is maar doorgaans niet leidt tot beperkingen in arbeid omdat er Arbogeluidsnormen gelden. Nu er bij appellant geen aanwijzingen zijn dat de tinnitus ernstig is, leidt dit niet tot beperkingen. Ten slotte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat appellant zijn stelling over het niet kunnen tillen van twintig kilogram niet heeft onderbouwd. Volgens de verzekeringsarts is incidenteel twintig kilogram tillen energetisch niet zwaar belastend en wordt dit dus voor appellant mogelijk geacht.
Arbeidskundige beoordeling
4.5.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 27 november 2025 de eerder voor appellant geselecteerde functie van productiemedewerker industrie, medior soldering operator (SBC-code 111180) laten vervallen omdat daarvoor een interne opleiding moet worden gevolgd van vier dagen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, in aanvulling op de eerder geselecteerde en overgebleven functies van medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) en medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030), voor appellant nieuwe functies geselecteerd, namelijk productiemedewerker industrie (samenstellen van producten), montagemedewerker/bestukker (SBC-code 111180) en machinestikker (SBC-code 272043). De arbeidsdeskundige heeft op basis van de functies met de hoogste loonwaarde de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 29,81%. Het Uwv heeft aangegeven dit niet te effectueren en de WIA-uitkering van appellant per 20 juli 2022 ongewijzigd te laten naar een vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 50,03 %.
4.6.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voor de in hoger beroep nieuw geselecteerde functies productiemedewerker industrie, (samenstellen van producten), montagemedewerker/bestukker (SBC-code 111180) en machinestikker (SBC-code 272043) in het Resultaat functiebeoordeling (RF) van 27 november 2025 en in zijn rapport van 27 november 2025 voldoende en overtuigend gemotiveerd dat die functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. Voor de in de primaire fase geselecteerde functies van medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) en medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030) heeft de arbeidsdeskundige in het RF van 26 juli 2023 en in het rapport 26 juli 2023 voldoende gemotiveerd dat de functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. Ook in hoger beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat in het RF van 27 november 2025 en in zijn rapport van 27 november 2025 nogmaals toegelicht en gemotiveerd. De grond dat deze vier functies niet geschikt zijn omdat hij wordt afgeleid door anderen, prikkelgevoelig is, voor geluid beperkt is, fijne motoriek en tastzin ontbreekt, hij lijmgeur en stof niet kan verdragen en geen twintig kilogram kan tillen, houden niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen en deze stelling treft, zoals hiervoor is overwogen, geen doel.
4.7.
De Raad merkt op dat er in hoger beroep functies mochten worden bijgeduid. Het betreft hier immers een beoordeling per einde wachttijd. Volgens vaste rechtspraak van deze Raad staan in een dergelijke situatie noch het vertrouwensbeginsel noch het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten het bijduiden van functies in de weg.

Conclusie en gevolgen

5. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 20 juli 2022 terecht heeft vastgesteld op 50,03%. Omdat het bestreden besluit pas in hoger beroep is voorzien van een toereikende arbeidskundige onderbouwing, concludeert de Raad dat het besluit eerder niet deugdelijk was gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld, omdat ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb zal de schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb daarom worden gepasseerd en wordt het bestreden besluit in stand gelaten. Het hoger beroep van appellant slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak zal met verbetering van gronden worden bevestigd.
6. Er bestaat wel aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 1.868,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt), in totaal € 3.736,-. Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 3.736,-;
- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1677 en van 3 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:829.