ECLI:NL:CRVB:2021:1677
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WIA-uitkering en boete ondanks betwisting dringende redenen
Appellante ontving vanaf 30 maart 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering en toeslag. Na melding van pgb-werkzaamheden vanaf oktober 2012 startte het UWV een onderzoek, waaruit bleek dat tussen mei en december 2015 ruim €38.000 aan pgb-gelden op haar rekening was gestort. Het UWV herzag de uitkering en toeslag over deze periode en vorderde te veel betaalde bedragen terug. Tevens legde het UWV een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het geschil beperkte tot de vraag of dringende redenen bestonden om van terugvordering af te zien en of de boete terecht was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de terugvordering onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen had, mede door psychische klachten en bijzondere omstandigheden door een gewelddadige ex-partner. Tevens betwistte zij de boete en stelde dat zij niet verwijtbaar had gehandeld.
De Raad oordeelde dat appellante de omvang van het geschil bewust had beperkt en dat nieuwe gronden tegen de herziening en terugvordering niet in behandeling konden worden genomen. De Raad vond geen aannemelijke dringende redenen voor afzien van terugvordering, omdat de schulden niet door de terugvordering waren ontstaan en de psychische klachten onvoldoende onderbouwd waren. De boete werd terecht opgelegd omdat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden door late melding van pgb-werkzaamheden, ondanks haar stelling dat zij geen kennis had van de betalingen. De boete van €40,- werd als evenredig beoordeeld. Ook de klacht over trage besluitvorming faalde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en handhaving van de boete wegens schending van de inlichtingenplicht.