ECLI:NL:CRVB:2026:242

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
25/643 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 3 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Ziektewet-uitkering wegens ontbreken dienstverband op eerste ziektedag

Appellant vroeg een Ziektewet-uitkering aan na een operatie en complicaties, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag af omdat appellant op zijn eerste ziektedag niet verzekerd was. Appellant had een arbeidsovereenkomst getekend met ingang van 1 november 2022, maar was al op 26 oktober 2022 ziek geworden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat appellant op de eerste ziektedag geen werknemer was en dus niet verzekerd voor de Ziektewet. Appellant voerde aan dat hij toch recht had op uitkering, onder meer op grond van het evenredigheidsbeginsel en een eerdere uitspraak van de Raad, maar deze argumenten werden verworpen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de situatie van appellant niet vergelijkbaar is met de eerdere zaak, omdat de ongeschiktheid tot werken bij appellant vóór het begin van het dienstverband was ingetreden. De Raad bevestigde het bestreden besluit en liet de afwijzing van de Ziektewet-uitkering in stand.

Uitkomst: De afwijzing van de Ziektewet-uitkering wordt bevestigd omdat appellant op de eerste ziektedag niet verzekerd was.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/643 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 maart 2025, 24/3440 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 4 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de aanvraag om een ZW-uitkering heeft geweigerd. Volgens appellant was hij per datum ziekmelding op 1 november 2022 verzekerd voor de ZW. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft geweigerd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ergec. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ter Brinke.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt tot 3 augustus 2022. Op 25 oktober 2022 heeft appellant een contract getekend, inhoudende dat hij met ingang van 1 november 2022 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst treedt bij de (ex)werkgever. Per 26 oktober 2022 is hij in verband met een liesbreuk geopereerd. Het betrof een dagopname. Bij mail van 30 oktober 2022 heeft appellant werkgever geïnformeerd over de operatie. Een dag later heeft appellant de (ex)werkgever per mail geïnformeerd over complicaties en kenbaar gemaakt niet op zijn eerste werkdag op 1 november 2022 te kunnen starten. Per 31 oktober 2022 is appellant nogmaals geopereerd. Bij brief van 2 november 2022 heeft de (ex)werkgever het dienstverband binnen de proeftijd opgezegd en het loon over twee dagen betaald. Met een besluit van 30 oktober 2023 heeft het Uwv de aanvraag om uitkering van appellant afgewezen, omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Appellant heeft namelijk geen dienstverband (meer) en is daarom niet verzekerd voor de ZW.
1.2.
Bij besluit van 21 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat uit de hoorzitting naar voren is gekomen dat – na de dagopname op 26 oktober 2022 – de eerste dag van opname 31 oktober 2022 is, en dat die dag daarom als eerste ziektedag moet worden beschouwd. Appellant heeft zich ook ziekgemeld op die dag. Op die datum was appellant nog niet in dienst van de (ex)werkgever. Verder is vastgesteld dat appellant niet in de vier weken voor de eerste ziektedag in een dienstverband werkzaam is geweest of een uitkering heeft genoten.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van artikel 19, eerste lid, van de ZW een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, recht heeft op een ZW-uitkering.
2.1.
Eén van de voorwaarden voor recht op een ZW-uitkering is dat diegene op de datum met ingang waarvan hij ziek is geworden (de eerste ziektedag) verzekerd is voor de ZW. Werknemers in de zin van de ZW zijn verzekerd. Werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Ook degene die binnen vier weken na het einde van zijn verzekering ongeschikt tot werken wordt, heeft tegenover het Uwv aanspraak op ziekengeld alsof hij verzekerd was gebleven. Uit de stukken in het dossier blijkt dat appellant laatstelijk tot 3 augustus 2022 een eerder dienstverband had en dus werknemer was. Appellant heeft niet gesteld dat hij binnen dat dienstverband of binnen vier weken na het einde daarvan ongeschikt is geworden voor werk. Deze periode is daarom niet van belang en blijft buiten beschouwing. Vanaf 1 november 2022 was (weer) sprake van werknemerschap en dus van verzekerd zijn voor de ZW. De rechtbank stelt echter vast dat appellants eerste ziektedag in de zin van de ZW vóór 1 november 2022 lag vanwege de operatie op 26 oktober 2022 en de daarop gevolgde complicaties. Op die eerste ziektedag was appellant geen werknemer en dus niet verzekerd voor de ZW.
2.2.
De stelling van appellant dat hij recht heeft op toekenning van ziekengeld in verband met het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Appellant is niet – anders dan gesteld – een paar uur voor aanvang van zijn dienstverband ziek geworden, maar heeft werkgever op 31 oktober 2022 in de ochtend geïnformeerd over het niet kunnen starten van de werkzaamheden. Bovendien is artikel 3 van Pro de ZW een dwingendrechtelijke bepaling waarvan niet met een beroep op het evenredigheidsbeginsel kan worden afgeweken. Het Uwv heeft terecht de aanvraag om ziekengeld afgewezen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat er situaties denkbaar moeten zijn waardoor appellant toch in aanmerking komt voor een ZW-uitkering. Appellant heeft een beroep gedaan op een uitspraak van de Raad van 18 juli 2024. [1] Daarin is onder rechtsoverweging 2.1. opgenomen: “Het Uwv heeft toegelicht dat slechts in het geval dat iemand niet verzekerd is voor de ZW en dan vlak voordat een (nieuwe) verzekering zou ingaan ziek wordt, er een ZW-recht zou kunnen ontstaan zonder dat er is gewerkt.” Deze situatie is volgens appellant volledig vergelijkbaar met zijn situatie.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Appellant heeft in hoger beroep de gronden van beroep in essentie herhaald. De rechtbank heeft deze gronden besproken en is tot de slotsom gekomen dat deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid zijn juist en worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.2.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de situatie van appellant volledig vergelijkbaar is met de situatie als genoemd in de uitspraak van de Raad van 18 juli 2024 en dat hieruit volgt dat ook in de situatie dat het dienstverband nog geen aanvang had genomen, recht op ziekengeld kan ontstaan. Het Uwv heeft toegelicht dat het een andere situatie betrof, namelijk een betrokkene die op weg naar zijn werk door een ongeval ongeschikt werd en daardoor niet met zijn werkzaamheden kon starten. In een dergelijk geval is de betrokkene al wel verzekerd voor de ZW. Die situatie is hier niet aan de orde, omdat de ongeschiktheid in het geval van appellant is ingetreden vòòr de dag dat het dienstverband van appellant, en daarmee de verzekering voor de ZW, zou starten.
5.3.
De nadere stukken die appellant in hoger beroep heeft ingezonden maken de beoordeling niet anders. Het betreft onder meer medische gegevens over de operatie op 31 oktober 2022. Deze brengen geen wijziging in de conclusie dat appellant niet als verzekerde voor de ZW kan worden aangemerkt.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.

(getekend) E.W. Akkerman

De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

Voetnoten

1.CRvB 18 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1469.