ECLI:NL:CRVB:2024:1469
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering tweede Ziektewet-uitkering wegens ongeschiktheid bij nieuw dienstverband
De zaak betreft de weigering van het Uwv om een tweede Ziektewet-uitkering toe te kennen aan een ex-werknemer die per 1 augustus 2020 bij een nieuwe werkgever in dienst trad, maar vanwege een reeds bestaande ongeschiktheid zijn nieuwe werkzaamheden feitelijk nooit heeft verricht.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat de eerste ziektedag op 7 juli 2020 viel, toen de werknemer nog in dienst was bij de eerste werkgever, en dat er geen nieuw recht op ZW-uitkering is ontstaan bij het nieuwe dienstverband. Appellante, de eerste werkgever en eigenrisicodrager, stelde in hoger beroep dat door het nieuwe dienstverband per 1 september 2020 een tweede recht op ZW-uitkering was ontstaan, omdat de werkzaamheden bij de nieuwe werkgever als een tweede maatstaf arbeid moesten worden gezien.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde dat onder 'zijn arbeid' wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid, en dat de werknemer de nieuwe werkzaamheden niet heeft verricht. Daarom kan geen tweede maatstaf arbeid worden aangenomen en is het tweede recht op ZW-uitkering niet ontstaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van het Uwv bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het Uwv om een tweede ZW-uitkering toe te kennen.