Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:249

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
25/196 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 ZWArt. 46 ZWWet WIAWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenWet werkloosheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing Ziektewetuitkering wegens niet-verzekerd zijn na WW-uitkering

Appellant heeft zich op 14 augustus 2023 ziekgemeld, nadat zijn WW-uitkering per 9 december 2022 was geëindigd. Het UWV wees de aanvraag om een Ziektewetuitkering af omdat appellant niet verzekerd was voor de Ziektewet op het moment van ziekmelding. Appellant stelde dat hij door nawerking van de WW-uitkering wel als verzekerd moest worden beschouwd, maar dit standpunt werd door de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep verworpen.

De Raad overwoog dat het begrip 'feitelijk ontvangen' van een WW-uitkering strikt moet worden uitgelegd en dat het moment van ziekmelding bepalend is voor de verzekering. Omdat appellant na 9 december 2022 geen WW-uitkering meer ontving en zich pas op 14 augustus 2023 ziekmeldde, viel hij buiten de verzekeringsperiode met nawerking van vier weken zoals bedoeld in artikel 46 van Pro de Ziektewet.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, waarmee de afwijzing van de Ziektewetuitkering in stand bleef. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om Ziektewetuitkering wordt bevestigd omdat appellant niet verzekerd was op het moment van ziekmelding.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/196 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2024, 24/1119 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 4 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv naar aanleiding van een ziekmelding per 14 augustus 2023 terecht heeft geoordeeld dat appellant niet verzekerd is voor de ZW en daarom geen aanspraak kan maken op ziekengeld. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij door nawerking wel als verzekerde voor de ZW kan worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv appellant terecht als niet verzekerd voor de ZW heeft geacht.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.M. Fakiri, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak gevoegd met zaak 25/1085 behandeld op een zitting van 21 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fakiri. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof. Na de behandeling van de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep wordt verwezen naar de uitspraak in de zaak 25/1085 en zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als fulltime logistiek medewerker. Op 11 mei 2020 heeft hij zich ziekgemeld
.Het Uwv heeft bij besluit van 26 juni 2023 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per einde wachttijd, 10 mei 2022, afgewezen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Bij besluit van 28 mei 2024 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, welk oordeel in hoger beroep bij uitspraak van heden is bevestigd.
1.2.
Bij besluit van 9 augustus 2023 is aan appellant over de periode 10 mei 2022 tot en met 9 december 2022 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3.
Op 15 augustus 2023 heeft appellant zich met ingang van 14 augustus 2023 ziekgemeld. Met een besluit van 31 augustus 2023 heeft het Uwv de aanvraag om ziekengeld afgewezen. Appellant heeft voorafgaand aan de eerste ziektedag geen WWuitkering ontvangen en is daarom niet verzekerd voor de Ziektewet (ZW).
1.4.
Bij besluit van 10 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aan appellant van 10 mei 2022 tot en met 9 december 2022 een WW-uitkering is toegekend. Dat betekent dat appellant in die periode, met een nawerking van vier weken als bedoeld in artikel 46 van Pro de ZW, verzekerd was voor de ZW. Het moment waarop de beoordeling dient plaats te vinden is de datum van ziekmelding. De ziekmelding van appellant per 14 augustus valt buiten deze periode van verzekering. De verwijzing van appellant naar de uitspraak van de Raad van 14 november 2012 [1] , waaruit volgt dat het begrip “ontvangen” feitelijk moet worden uitgelegd, kan niet tot een ander oordeel leiden nu de ontvangen WW-uitkering betrekking heeft op de periode van 10 mei 2022 tot en met 9 december 2022. Ook het subsidiaire standpunt van appellant, dat de ziekmelding moet worden opgevat als een ziekmelding binnen vier weken na het einde van het recht op WW-uitkering, heeft de rechtbank niet gevolgd. Appellant heeft zich voor het eerst ziekgemeld op 14 augustus 2023. Van een eerdere ziekmelding is niet gebleken. Voor een toerekening naar een eerdere datum bestaat daarom geen grondslag. Tenslotte is volgens de rechtbank geen sprake van strijd met het motiveringsbeginsel.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte het begrip ‘feitelijk ontvangen’ niet zo heeft uitgelegd dat de datum van de beslissing waarmee de WW-uitkering is toegekend het moment van het feitelijk ontvangen betreft. Dat de WW-rechten op een periode in het verleden zien doet volgens appellant voor het moment waarop het recht ontstaat, het moment waarop de (WW)beslissing is genomen, niet af.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft toegelicht dat uit vaste rechtspraak van de Raad blijkt dat het begrip ‘feitelijk ontvangen’ feitelijk moet worden uitgelegd. Bepalend is of de uitkering op grond van de WW feitelijk is ontvangen en niet of er krachtens deze wet aanspraak op een uitkering gemaakt kan worden. Het moment waarop besloten is een WW-uitkering toe te kennen is hiervoor niet bepalend.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om uitkering op grond van de ZW in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
In artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW is bepaald dat voor toepassing van de ZW als werknemer wordt beschouwd: degene die krachtens de verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidwet uitkering ontvangt. In artikel 46, eerste lid, van de ZW is bepaald dat degene die binnen vier weken na het einde van zijn verzekering ongeschikt tot werken wordt, tegenover het Uwv aanspraak heeft op ziekengeld alsof hij verzekerd was gebleven.
5.2.
Appellant heeft in hoger beroep de gronden van beroep in essentie herhaald. De rechtbank heeft deze gronden besproken en is tot de conclusie gekomen dat appellant hierin niet wordt gevolgd. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
De beroepsgrond dat de rechtbank het begrip ‘feitelijk ontvangen’ onjuist heeft toegepast, slaagt niet. Vaststaat dat appellant tot en met 9 december 2022 recht op een WWuitkering heeft. Daarna heeft appellant niet gewerkt. Per 14 augustus 2023 heeft appellant zich ziekgemeld. De omstandigheid dat appellant op 9 augustus 2023 een besluit inzake toekenning van WW-uitkering heeft ontvangen en die uitkering toen ook nabetaald heeft gekregen, betekent niet dat appellant daardoor wel verzekerd is voor de ZW. De (na)betaling van de WW-uitkering zag immers op de periode 22 mei 2022 tot en met 9 december 2022. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 46 van Pro de ZW. Voor een andersluidende invulling van het begrip ‘feitelijk ontvangen’ zoals appellant kennelijk voorstaat, bestaat geen grondslag.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om een ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.

(getekend) E.W. Akkerman

De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen verzekerde, werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

Voetnoten

1.CRvB 14 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3186.