ECLI:NL:CRVB:2012:BY3186
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-, ZW- en WAZO-uitkeringen wegens verwijtbare werkloosheid en niet-verzekering
Appellante was werkzaam bij meerdere werkgevers en nam ontslag bij haar laatste werkgever per 1 juni 2010. Zij vroeg een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat zij in de 36 weken voorafgaand aan haar werkloosheid niet voldoende had gewerkt en haar werkloosheid als verwijtbaar werd aangemerkt. Daarnaast werd haar aanvraag voor een ZW-uitkering afgewezen omdat zij vanaf 28 juli 2010 niet meer verzekerd was voor de Ziektewet en zij zich pas op 1 september 2010 ziek meldde. Ook de aanvraag voor een WAZO-uitkering werd afgewezen omdat haar vermoedelijke bevallingsdatum buiten de tien weken na het einde van de ZW-verzekering viel.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat sprake was van een baanwisseling met uitzicht op een dienstverband van ten minste 26 weken, waardoor haar werkloosheid niet verwijtbaar zou zijn. De Raad oordeelde dat op het moment van haar ontslag geen reëel uitzicht bestond op een dergelijk dienstverband en dat de omstandigheden van haar ontslag niet zodanig waren dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd. Hierdoor was sprake van verwijtbare werkloosheid.
De Raad bevestigde dat appellante niet verzekerd was voor de Ziektewet omdat zij geen WW-uitkering ontving vanwege verwijtbare werkloosheid. Hierdoor kon zij geen aanspraak maken op ZW- of WAZO-uitkeringen. De rechtbank had de beroepen tegen de besluiten terecht ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van WW-, ZW- en WAZO-uitkeringen wegens verwijtbare werkloosheid en het ontbreken van verzekering.