ECLI:NL:CRVB:2026:251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep na toekenning IVA-uitkering en vergoeding proceskosten en schadevergoeding redelijke termijn
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV omtrent haar WIA-uitkering. Tijdens de procedure heeft het UWV op 21 januari 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij appellante per 9 april 2018 een IVA-uitkering is toegekend. Hierdoor heeft appellante het hoger beroep ingetrokken.
De Centrale Raad van Beroep heeft vervolgens de proceskosten beoordeeld die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met het beroep en hoger beroep. Hierbij zijn onder meer de kosten van deskundigenrapporten van psychiaters en verzekeringsartsen, reiskosten en griffierechten meegenomen. Niet alle gevorderde kosten kwamen voor vergoeding in aanmerking, waarbij secretariële werkzaamheden en bepaalde administratieve posten zijn uitgesloten.
Daarnaast heeft appellante een verzoek ingediend tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De Raad heeft vastgesteld dat de totale procedureduur van ontvangst bezwaarschrift tot tegemoetkomend besluit ruim zeven jaar bedroeg, wat een overschrijding van ongeveer drie jaar betekent. De Raad heeft daarom een immateriële schadevergoeding van € 3.000,- toegekend.
De Staat is veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding en de proceskosten voor de rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding. Het UWV is veroordeeld tot vergoeding van de overige proceskosten en de betaalde griffierechten. De zaak is zonder zitting afgedaan nadat partijen geen zitting meer wensten.
Uitkomst: Het hoger beroep is ingetrokken na toekenning van een IVA-uitkering en de Raad veroordeelt UWV en Staat tot vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.