ECLI:NL:CRVB:2026:254

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
23/2877 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na gewijzigde beslissing UWV en proceskostenveroordeling

Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake de WIA. De Centrale Raad van Beroep oordeelde in een tussenuitspraak dat het UWV een onjuiste periode had gehanteerd bij de herziening en terugvordering, en dat deze opnieuw vastgesteld moest worden over de periode van 1 september 2015 tot en met 10 augustus 2020.

Naar aanleiding hiervan nam het UWV op 21 juli 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar die tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant. Hierdoor trok appellant het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV verzette zich hiertegen niet.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant, begroot op €3.736,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €186,-. Het onderzoek werd op een nadere zitting achterwege gelaten en de uitspraak werd op 5 maart 2026 gedaan.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht na intrekking van het hoger beroep wegens gewijzigde beslissing.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/2877 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2023, 22/3407 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 maart 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. van Wegen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 december 2024.
Bij de tussenuitspraak van 28 mei 2025 [1] heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv in het geval van appellant bij de vaststelling van de periode waarop de herziening en terugvordering zien is uitgegaan van een onjuiste periode en dat de herziening en terugvordering opnieuw moeten worden vastgesteld, en wel over de periode van 1 september 2015 tot en met 10 augustus 2020.
Het Uwv heeft op 21 juli 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft op 19 december 2025 meegedeeld zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek op een nadere zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 21 juli 2025 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Het Uwv heeft daarbij in de bezwaarfase gemaakte proceskosten vergoed.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-). Totaal € 3.736,-.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.736,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.CRvB 28 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:833.