ECLI:NL:CRVB:2025:833
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WIA-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden in winkel echtgenote
Appellant ontvangt sinds 2008 een WIA-uitkering en werd in 2019 betrapt op het verrichten van werkzaamheden in de winkel van zijn echtgenote. Het UWV herzag daarop de uitkering over de periode van 1 september 2015 tot en met 30 september 2021 en vorderde €44.106,87 terug wegens niet gemelde werkzaamheden. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij geen op geld waardeerbare arbeid had verricht en dat het UWV ten onrechte was uitgegaan van een verklaring van november 2019, waarbij hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerste. De Raad stelde vast dat appellant wel degelijk werkzaamheden verrichtte, zoals ijsbereiding en beveiliging, en dat hij deze had moeten melden. Het UWV mocht het inkomen schattenderwijs vaststellen vanwege het ontbreken van concrete gegevens.
De Raad vond echter dat het UWV ten onrechte de periode na de laatste waarneming van appellant op 10 augustus 2020 had betrokken bij de herziening en terugvordering. Daarom werd het besluit deels vernietigd en terugverwezen voor herziening van de periode tot 10 augustus 2020. Over de proceskosten wordt nog geen uitspraak gedaan.
Uitkomst: Het besluit tot herziening en terugvordering van de WIA-uitkering wordt herzien en beperkt tot de periode van 1 september 2015 tot en met 10 augustus 2020.