ECLI:NL:CRVB:2026:281

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/19 WAD e.v.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 6:22 AwbArt. 6:24 AwbArt. 4:17 AwbArt. 8:55c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toelating pré-Management Development-programma door staatssecretaris terecht

Betrokkene, werkzaam bij de Koninklijke Luchtmacht, verzocht op 11 februari 2021 om toelating tot het pré-Management Development-programma. De staatssecretaris wees dit verzoek op 1 december 2022 af, mede vanwege conflicten met collega’s en leidinggevenden die de houding en het gedrag van betrokkene betrof. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering, waarna de staatssecretaris een nieuw besluit nam dat opnieuw afwijzend was.

In hoger beroep stelde de Raad vast dat de rechtbank terecht een terughoudende toets toepaste, maar dat de staatssecretaris onvoldoende toelichting gaf op de conflicten. In hoger beroep gaf de staatssecretaris nadere feitelijke onderbouwing, waaronder verklaringen van collega’s over emotioneel en conflictueus gedrag van betrokkene. De Raad oordeelde dat deze onderbouwing voldoende was en dat betrokkene op de peildatum nog niet geschikt was voor het programma.

Daarnaast stelde de Raad vast dat de staatssecretaris te laat een nieuw besluit nam, waardoor betrokkene recht had op een dwangsom van €1.307,-. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, vernietigde het besluit van 11 november 2024, en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van proceskosten en de dwangsom.

Uitkomst: De Raad verklaart het beroep van betrokkene ongegrond en bevestigt dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat betrokkene nog niet geschikt is voor toelating tot het pré-Management Development-programma.

Uitspraak

24/19 WAD, 24/2384 WAD, 24/2826 WAD
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/19 WAD, 24/2384 WAD, 24/2826
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 november 2023, 23/3747 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 4 maart 2026
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de vraag of de staatssecretaris het verzoek van betrokkene om te worden toegelaten tot een pré-Management Development-programma mocht afwijzen. De Raad is van oordeel dat de staatssecretaris mocht beslissen dat betrokkene nog niet geschikt is voor toelating tot dat programma.

PROCESVERLOOP

De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. T.G.J. Horlings een verweerschrift ingediend.
Namens betrokkene is beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.
De staatssecretaris heeft op 11 november 2024 een nieuw besluit genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Namens betrokkene heeft mr. Horlings op dat besluit een reactie gegeven
.
Met toepassing van artikel 6:20 en Pro 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dit nieuwe besluit in de lopende procedure betrokken.
Partijen hebben (desgevraagd) nadere stukken in het geding gebracht.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2026. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. van der Weijden, mr. S. van der Vlist en drs. I.C.C. Hiestand-Schatorie. Betrokkene is verschenen en is bijgestaan door mr. Horlings.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene is werkzaam bij de Koninklijke Luchtmacht.
1.2.
Op 11 februari 2021 heeft betrokkene verzocht om toelating tot het pré-Management Development (pré-MD) programma. Op 28 september 2022 is de aanvraag tot toelating in het Comité Functietoewijzing (COFT) besproken. Het COFT heeft vervolgens een advies aan de staatssecretaris uitgebracht.
1.3.
Met een besluit van 1 december 2022 heeft de staatssecretaris betrokkene, onder verwijzing naar het advies van het COFT, meegedeeld dat zij nog niet geschikt is bevonden voor opname in het pré-MD bestand. Daarbij is onder andere ten aanzien van het criterium houding en gedrag betrokken dat er in de afgelopen jaren meerdere situaties zijn geweest waarin sprake was van een conflict tussen betrokkene en collega’s en leidinggevenden.
1.4.
Met een besluit van 24 april 2023 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.
Aangevallen uitspraak
2.1.
De rechtbank heeft, met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat dit niet op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft de staatssecretaris daarbij opdracht gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
2.2.
De rechtbank ziet het bestreden besluit als een afwijzing van het verzoek om – op het door betrokkene gewenste moment – toegelaten te worden tot het pré-MD-programma. Volgens de rechtbank komt de staatssecretaris bij de beslissing om iemand al dan niet toe te laten tot het pré-MD-programma een ruime mate van vrijheid toe. Omdat betrokkene echter ontkent dat sprake is geweest van conflicten, ligt het op de weg van de staatssecretaris om toe te lichten aan wat voor conflicten wordt gerefereerd en wat daarin de rol van betrokkene is geweest. Dit heeft de staatssecretaris nagelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet inzichtelijk waarom de beoordeling van het criterium houding en gedrag (mede) heeft geleid tot een afwijzing van haar aanvraag. Daarmee berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank gaat niet in op de beroepsgronden van betrokkene gericht tegen de andere criteria die in de besluitvorming zijn betrokken, omdat de staatssecretaris bij een nieuw te nemen besluit moet uitgaan van de feiten en omstandigheden op dat moment. De nieuwe functie van betrokkene, eventuele nieuwe beoordelingen en gevolgde cursussen en/of coachingsgesprekken kunnen daarbij volgens de rechtbank worden meegewogen.
3.1.
Met een brief van 18 september 2024 heeft betrokkene de staatssecretaris in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig nemen van een nieuw besluit, zoals opgedragen door de rechtbank.
3.2.
Bij brief van 17 oktober 2024 heeft betrokkene bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar. Dit beroep is, nadat de rechtbank zich onbevoegd had verklaard, aan de Raad toegezonden
.
Nieuwe beslissing op bezwaar
4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de staatssecretaris met een besluit van 11 november 2024 de bezwaren van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard. Met toepassing van artikel 6:20 en Pro 6:24 van de Awb is dit nieuwe besluit in de lopende procedure betrokken.
Standpunten van partijen
5.1.
De staatssecretaris is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
5.2.
Betrokkene is het niet eens met het besluit van 11 november 2024 en verzoekt een dwangsom omdat dit besluit te laat is genomen.

Het oordeel van de Raad

6. De Raad beoordeelt eerst aan de hand van wat de staatssecretaris in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit juist is. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van de staatssecretaris (deels) slaagt. Vervolgens beoordeelt de Raad het beroep van betrokkene tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar. Dat beroep is gegrond en de staatssecretaris is in verband daarmee een dwangsom verschuldigd. De Raad komt niet toe aan bespreking van de door betrokkene ingediende gronden tegen het nadere besluit van 11 november 2024. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot zijn oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het hoger beroep
6.1.
De staatssecretaris heeft aangevoerd dat de rechtbank, gelet op de aard en context van het besluit, een (veel) lichter toetsingskader had moeten hanteren. Volgens de staatssecretaris is de motivering in het bestreden besluit voldoende.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad stelt voorop dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris bij de beslissing om iemand al dan niet toe te laten tot het pré-MD-programma een ruime mate van vrijheid toekomt. Daarbij past een terughoudende toets. Die terughoudendheid betekent echter niet dat de rechtbank niet zou moeten toetsen of er voldoende feitelijke onderbouwing is voor de standpunten die de staatssecretaris aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, indien de juistheid daarvan door een betrokkene wordt betwist. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het aan de staatssecretaris is om ten aanzien van het criterium houding en gedrag toe te lichten aan wat voor conflicten wordt gerefereerd en wat daarin de rol van betrokkene is geweest, nu betrokkene heeft ontkend dat sprake was van enig conflict. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de staatssecretaris dat in dit geval onvoldoende had gedaan en dat het bestreden besluit daarmee niet op een deugdelijke motivering berustte.
6.3.
De beroepsgrond van de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij bij een nieuw te nemen beslissing op bezwaar moet uitgaan van de feiten en omstandigheden op dat moment (ex-nunc toetsing), slaagt. In dit geding gaat het om de vaststelling van de rechtspositie van betrokkene naar de situatie op een bepaald tijdstip. Bepalend is of betrokkene ten tijde van het nemen van het besluit op 1 december 2022 (peildatum) basisgeschikt was voor verdere ontwikkeling richting mogelijke selectie voor het MD-schap. De aard van het besluit brengt dus mee dat de staatssecretaris het verzoek om toelating tot het pré-MD-programma bij de beslissing op bezwaar mag beoordelen naar de situatie op de peildatum
.
6.4.
Ter (nadere) motivering van het standpunt dat betrokkene op de peildatum nog niet geschikt was voor toelating tot het pré-MD-programma, omdat zij zich eerst verder dient te ontwikkelen op het gebied van houding en gedrag, heeft de staatssecretaris vermeld dat er in de afgelopen jaren meerdere situaties zijn geweest waarin een gesprek met betrokkene dreigde te veranderen in een discussie die door anderen, zoals toenmalige vakoudsten, leidinggevenden of collega's, als conflictueus werd ervaren. Betrokkene kon dan bijvoorbeeld doordrammen, derden erbij betrekken, of mensen voor de voeten werpen dat zij het fout zagen. Dit zorgt er voor dat anderen geen ruimte meer ervaren (of krijgen) om hun ideeën in te brengen en dit kan effect hebben op het ervaren van sociale onveiligheid en vertrouwen. Door te leren accepteren dat er ook andere inzichten zijn die tot een besluit kunnen leiden, kan betrokkene volgens de staatssecretaris leren om de-escalerend te zijn in haar gedrag.
6.5.
Voor de feitelijke onderbouwing hiervan heeft de staatssecretaris in hoger beroep – onder meer – verwezen naar voorbeelden uit de beoordeling over het tijdvak 10 februari 2021 tot en met 16 juni 2022 en naar diverse aanvullende verklaringen van collega’s en leidinggevenden, zoals die van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . De rode draad in deze verklaringen is volgens de staatssecretaris dat betrokkene zich in situaties, die haar dan wel haar rechtvaardigheidsgevoel lijken te raken, een heftige en/of emotionele communicatiestijl hanteert met een negatief effect op haar persoonlijke effectiviteit. Als voorbeeld wordt onder meer genoemd dat betrokkene zich in gesprekken en vergaderingen soms (sterk) emotioneel opstelt (huilen, harder gaan praten, door anderen heen praten en niet lijken te willen luisteren), waarmee zij de andere deelnemer(s) van zich distantieert en de gesprekken eerder een conflictueuze sfeer krijgen dan een constructieve sfeer. Collega's ervaren dat als onprettig en disproportioneel. De heftigheid leidt er toe dat het gesprek 'gegijzeld' wordt, omdat het niet meer over het onderwerp gaat maar alleen nog over de emotie van betrokkene. Als betrokkene op dit punt stappen kan zetten, komt zij mogelijk in aanmerking voor het naasthogere niveau. De verwachting is dat een trainings- of coachingstraject hierin kan helpen.
6.6.
Anders dan betrokkene meent is daarmee het afwijzingsbesluit alsnog voldoende feitelijk onderbouwd in hoger beroep. Uit de nadere toelichting van de staatssecretaris en de aan de beoordeling en de verklaringen ontleende voorbeelden volgt immers genoegzaam dat en waarom betrokkene zich op de peildatum nog verder diende te ontwikkelen op het gebied van houding en gedrag, voordat zij toegelaten kan worden tot het pré-MD-programma. De door betrokkene ingebrachte verklaringen van collega’s leiden niet tot een ander oordeel. Dit maakt dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat betrokkene nog niet basisgeschikt was.
6.7.
Uit wat is overwogen in 6.2 tot en met 6.6 volgt dat de staatssecretaris, zij het eerst in hoger beroep, een deugdelijke onderbouwing heeft gegeven voor het bestreden besluit. Omdat een besluit van gelijke uitkomst zou zijn genomen als het motiveringsgebrek zich niet zou hebben voorgedaan, is aannemelijk is dat betrokkene hierdoor niet is benadeeld. De Raad zal daarom het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb passeren.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
7.1.
Vast staat dat ten tijde van het instellen van het beroep door betrokkene de termijn waarbinnen de staatssecretaris een nieuw besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak had moeten nemen was overschreden, zodat betrokkene terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar. Dit beroep van betrokkene is dan ook gegrond.
7.2.
Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter op grond van artikel 8:55c van de Awb, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verschuldigde dwangsom vast. [1] Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
7.3.
De ingebrekestelling van betrokkene is door de staatssecretaris ontvangen op 19 september 2024, zodat de termijn als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb op 3 oktober 2024 was verstreken. Nu de staatssecretaris op 11 november 2024 een beslissing ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen zijn er, rekenend vanaf 4 oktober 2024, 39 dagen verstreken en heeft de staatssecretaris een dwangsom verbeurd van (14 x € 23,-, 14 x € 35, 11 x € 45,- ) € 1.307,-.

Conclusie en gevolgen

8.1.
Uit 6.1 tot en met 6.7 volgt dat het hoger beroep van de staatssecretaris (deels) slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, met uitzondering van de bepalingen over proceskosten en griffierecht. De Raad zal het beroep van betrokkene alsnog ongegrond verklaren. Dit betekent dat het bestreden besluit stand houdt.
8.2.
Uit 8.1 volgt dat de grondslag is komen te ontvallen aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 11 november 2024. De Raad zal ook dat besluit vernietigen.
8.3.
Gelet op het overwogene onder 7.1. tot en met 7.3 zal de Raad het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegrond verklaren en de dwangsom vaststellen op € 1.307,-.
8.4.
De toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb geeft aanleiding de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-). Verder krijgt betrokkene ook een vergoeding voor haar proceskosten in verband met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Deze kosten worden begroot op € 467,- voor vergoeding verleende rechtsbijstand (1 punt wordt voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor licht (0,50)). Daarmee komt het totaal aan te vergoeden proceskosten op € 2.335,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de bepalingen over proceskosten en griffierecht;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 24 april 2023 ongegrond;
  • vernietigt het besluit van 11 november 2024;
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegrond;
  • stelt de hoogte van de door de staatssecretaris aan betrokkene verschuldigde dwangsom vast op € 1.307,-;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) H. de Brabander

Voetnoten

1.Deze bepaling is op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.