Betrokkene, werkzaam bij de Koninklijke Luchtmacht, verzocht op 11 februari 2021 om toelating tot het pré-Management Development-programma. De staatssecretaris wees dit verzoek op 1 december 2022 af, mede vanwege conflicten met collega’s en leidinggevenden die duidden op onvoldoende ontwikkeling in houding en gedrag. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering, waarna de staatssecretaris een nieuw besluit nam dat opnieuw afwijzend was.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat de rechtbank terecht een ruime beoordelingsvrijheid aan de staatssecretaris toekent, maar dat deze wel voldoende feitelijke onderbouwing moet geven bij betwiste feiten. De Raad stelt vast dat de staatssecretaris in hoger beroep voldoende voorbeelden en verklaringen heeft gegeven waaruit blijkt dat betrokkene zich op de peildatum nog moest ontwikkelen in haar communicatiestijl en omgang met collega’s.
Daarnaast is vastgesteld dat de staatssecretaris het nieuwe besluit te laat heeft genomen, waardoor betrokkene recht heeft op een dwangsom van €1.307,-. De Raad vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond, waardoor het afwijzingsbesluit standhoudt. Tevens veroordeelt de Raad de staatssecretaris in de proceskosten van betrokkene.