ECLI:NL:CRVB:2026:29

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/2792 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen intrekking en terugvordering persoonsgebonden budget Wlz

Betrokkene ontving sinds 2016 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor zorgprofielen VV4 en later VV5. Het zorgkantoor trok het pgb over de periode van september 2018 tot en met december 2019 in en vorderde een bedrag van €50.392,80 terug wegens niet-naleving van pgb-verplichtingen, mede naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek naar fraude bij een zorginstelling.

De rechtbank Amsterdam vernietigde het besluit van het zorgkantoor tot terugvordering, omdat betrokkene te goeder trouw zou zijn en de gevolgen van terugvordering te zwaar zouden wegen. Het zorgkantoor stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bescherming van de budgethouder te goeder trouw primair plaatsvindt bij de invordering van onverschuldigde betalingen en niet bij de intrekking of terugvordering.

De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het zorgkantoor gegrond. Het bestreden besluit bleef daarmee in stand, en het zorgkantoor mocht het pgb intrekken en het bedrag terugvorderen. Betrokkene hoeft het bedrag echter niet zelf terug te betalen, omdat het zorgkantoor heeft toegezegd niet bij betrokkene te zullen invorderen. De uitspraak bevestigt de vaste rechtspraak van de Raad over de bescherming van budgethouders te goeder trouw binnen het Wlz-pgb-systeem.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van het pgb blijft in stand, waarbij betrokkene het bedrag niet zelf hoeft terug te betalen.

Uitspraak

24/2792 WLZ
Datum uitspraak: 14 januari 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2024, 23/2990 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
SAMENVATTING
Aan betrokkene is op grond van de Wlz gedurende meerdere jaren een pgb verleend. In deze zaak gaat het om de vraag of het zorgkantoor kon overgaan tot een wijziging en terugvordering van het pgb van betrokkene. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend, onder verwijzing naar zijn recente rechtspraak in soortgelijke zaken.

PROCESVERLOOP

Namens het zorgkantoor heeft mr. C. Hartman hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 oktober 2025. Voor het zorgkantoor is mr. S. Gezer verschenen. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene, geboren in 1945, is in 2016 geïndiceerd voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz) voor zorgprofiel VV4 (Beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging) en in 2020 voor zorgprofiel VV5 (Beschermd wonen met intensieve dementiezorg). Het zorgkantoor heeft aan betrokkene een persoonsgebonden budget (pgb) verleend. Betrokkene heeft [naam hulp] aangesteld als gewaarborgde hulp. Uit het pgb zijn betalingen gedaan aan [naam zorgverlener] (zorgverlener), de zoon van betrokkene en partner van de gewaarborgde hulp.
1.2.
In 2016 is strafrechtelijk onderzoek gedaan naar pgb-fraude bij [naam zorginstelling] . Dit onderzoek heeft geleid tot een veroordeling van de gewaarborgde hulp. Het politieonderzoek is aanleiding geweest voor het zorgkantoor om een onderzoek te starten naar mogelijke fraude bij de besteding van het pgb van betrokkene.
1.3.
Met een besluit van 26 juli 2022 heeft het zorgkantoor het aan betrokkene verleende Wlzpgb over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2019 ingetrokken vanwege het niet nakomen van de verplichtingen die horen bij het beheren van het pgb. Het zorgkantoor heeft over deze periode een bedrag van € 50.392,80 van betrokkene teruggevorderd.
1.4.
Het zorgkantoor heeft met een besluit van 14 april 2023 (bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 26 juli 2022 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 26 juli 2022 herroepen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het zorgkantoor gemotiveerd gesteld en onderbouwd dat niet is voldaan aan de verplichtingen voortvloeiend uit het pgb. Het zorgkantoor is dan ook bevoegd om het verleende pgb over de periode in geding te wijzigen en het onverschuldigd betaalde pgb terug te vorderen. De rechtbank is echter van oordeel dat het zorgkantoor in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid tot terugvordering. Het zorgkantoor heeft ter zitting verklaard dat betrokkene geen enkel verwijt treft (te goeder trouw is) en dat het de wens is om slechts de gewaarborgde hulp aan te spreken. Als het zorgkantoor afziet van het bestuursrechtelijk verhalen van de vordering op betrokkene, blijft volgens de rechtbank de mogelijkheid bestaan om de vordering civielrechtelijk te verhalen op de gewaarborgde hulp. Verder zijn de gevolgen van de terugvordering voor betrokkene zeer ingrijpend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet in redelijkheid kan worden volgehouden dat het belang van het zorgkantoor om langs bestuurlijke weg het pgb terug te vorderen van betrokkene, zwaarder zou moeten wegen dan het belang van betrokkene om gevrijwaard te blijven van terugvordering.
Het standpunt van het zorgkantoor
3. Het zorgkantoor is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het zorgkantoor voert aan dat de rechtbank de rechtspraak van de Raad [1] – inhoudende dat de bescherming van de budgethouder te goeder trouw moet plaatsvinden in het kader van de invordering – niet juist heeft toegepast. Het zorgkantoor is nog geen civiele procedure gestart om de vordering bij de gewaarborgde hulp geïnd te krijgen. Het zorgkantoor wil eerst deze bestuursrechtelijke procedure afwachten omdat geen zekerheid bestaat dat het besluit van 26 juli 2022 overbodig is in de civiele procedure. Het belang van het zorgkantoor dat dit besluit in stand blijft weegt zwaarder dan het belang van betrokkene, bij wie het zorgkantoor niet gaat invorderen.

Het oordeel van de Raad

4. Vooropgesteld wordt dat alleen het zorgkantoor hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Betrokkene heeft geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Zij heeft het oordeel van de rechtbank dat het zorgkantoor bevoegd was het verleende pgb in te trekken en terug te vorderen dus niet bestreden.
4.1.
Of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd en het besluit van 26 juli 2022 heeft herroepen, beoordeelt de Raad aan de hand van wat het zorgkantoor in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Deze beroepsgronden zien alleen op het oordeel van de rechtbank dat het zorgkantoor in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om het pgb van betrokkene terug te vorderen. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.
4.2.
De vraag die voorligt is of de bescherming van de budgethouder te goeder trouw moet plaatsvinden in het kader van de intrekking, vaststelling en terugvordering van het pgb, of in het kader van de invordering van het onverschuldigd betaalde pgb. Deze vraag heeft de Raad al beantwoord in onder meer zijn uitspraak van 15 november 2023. [2] De Raad heeft in die uitspraak geoordeeld dat de bescherming van de budgethouders te goeder trouw, behoudens een uitzonderingssituatie die hier niet aan de orde is, in beginsel plaatsvindt bij de invordering van onverschuldigd gedane betalingen. Deze rechtspraak steunt mede op de overweging dat indien deze bescherming een plaats zou krijgen bij de intrekking, vaststelling en terugvordering, dit mogelijk nadelige gevolgen heeft voor de civielrechtelijke verhaalsmogelijkheden van het zorgkantoor op derden. Er bestaat geen aanleiding om hier in deze zaak anders over te oordelen.
4.3.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit heeft vernietigd en het besluit van 26 juli 2022 heeft herroepen. Deze besluitvorming kan enerzijds niet zomaar worden gemist met het oog op de civielrechtelijke verhaalsmogelijkheden van het zorgkantoor jegens de gewaarborgde hulp, terwijl anderzijds de bescherming van de budgethouder te goeder trouw reeds voldoende wordt gewaarborgd omdat het zorgkantoor ongeclausuleerd heeft toegezegd niet bij betrokkene te gaan invorderen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, voor zover aangevochten, en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Het aan betrokkene verleende pgb over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2019 is dus terecht ingetrokken en het onverschuldigd betaalde bedrag van € 50.392,80 is terecht teruggevorderd. Betrokkene hoeft dat bedrag echter niet zelf terug te betalen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
  • verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en B. Serno en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ’t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) C.C.M. van ‘t Hol

Voetnoten

1.Onder andere de uitspraken van 15 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2195 en van 23 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2460.