Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving sinds 2016 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor zorgprofielen VV4 en later VV5. Het zorgkantoor trok het pgb over de periode van september 2018 tot en met december 2019 in en vorderde een bedrag van €50.392,80 terug wegens niet-naleving van pgb-verplichtingen, mede naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek naar fraude bij een zorginstelling.
De rechtbank Amsterdam vernietigde het besluit van het zorgkantoor tot terugvordering, omdat betrokkene te goeder trouw zou zijn en de gevolgen van terugvordering te zwaar zouden wegen. Het zorgkantoor stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bescherming van de budgethouder te goeder trouw primair plaatsvindt bij de invordering van onverschuldigde betalingen en niet bij de intrekking of terugvordering.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het zorgkantoor gegrond. Het bestreden besluit bleef daarmee in stand, en het zorgkantoor mocht het pgb intrekken en het bedrag terugvorderen. Betrokkene hoeft het bedrag echter niet zelf terug te betalen, omdat het zorgkantoor heeft toegezegd niet bij betrokkene te zullen invorderen. De uitspraak bevestigt de vaste rechtspraak van de Raad over de bescherming van budgethouders te goeder trouw binnen het Wlz-pgb-systeem.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van het pgb blijft in stand, waarbij betrokkene het bedrag niet zelf hoeft terug te betalen.