ECLI:NL:CRVB:2026:290

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
25/791 BABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeerReglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Artikel 2 Beleidsregels voor parkeervoorzieningen gehandicapten gemeente Alkmaar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag gehandicaptenparkeerplaats ondanks bezwaar omwonenden

Appellant, houder van een gehandicaptenparkeerkaart, vroeg een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken aan nabij zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar wees de aanvraag aanvankelijk toe, maar na bezwaar van omwonenden en herbeoordeling werd de aanvraag alsnog afgewezen omdat appellant een eigen parkeerplaats voor zijn garage heeft.

Appellant voerde aan dat zijn garage te krap is en dat het parkeervak moeilijk bereikbaar is, maar het college en de rechtbank oordeelden dat de Tesla van appellant met de nodige voorzichtigheid op eigen terrein geparkeerd kan worden. Verkeersveiligheidsargumenten en krappe toegangswegen werden niet als bijzondere omstandigheden erkend.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en het college dat het criterium van het beleid, dat een gehandicaptenparkeerplaats niet wordt toegekend als er een geschikte eigen parkeerplaats is, niet onredelijk is. Het beroep van appellant op bijzondere omstandigheden slaagde niet, waardoor de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.

Uitkomst: De aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats wordt afgewezen omdat appellant voldoende parkeerruimte op eigen terrein heeft en geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/791 BABW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 maart 2025, 24/3445 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats 1] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)
Datum uitspraak: 26 februari 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of het college de aanvraag van appellant voor een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken – na bezwaar van omwonenden – alsnog terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. de Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Boer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Blom en mr. L. Dekker.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1966, beschikt over een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder. Op 20 december 2023 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken nabij zijn woning te [woonplaats 2] . Daarin heeft hij aangegeven niet in het bezit te zijn van een carport, garage of parkeerplaats op eigen terrein.
1.2.
Het college heeft, na medisch advies te hebben ingewonnen bij Argonaut, de aanvraag bij besluit van 7 februari 2024 ingewilligd. Vervolgens is op 15 februari 2024 in het Gemeenteblad het besluit tot het vaststellen van een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken (dubbel) gepubliceerd.
1.3.
Tegen dit besluit hebben omwonenden bezwaar gemaakt. Aangevoerd is onder meer dat appellant beschikt over een eigen garage met een stuk grond waar de auto kan staan op ongeveer twintig meter afstand van de woning. Appellant heeft twee auto’s, te weten een Tesla en een Ford. Een van beide kan hij parkeren op eigen terrein.
1.4.
Appellant heeft daarop onder meer aangevoerd dat hij zijn garage verhuurt omdat deze te krap is voor het parkeren van zijn voertuigen. Het staat hem vrij om een andere bestemming aan deze ruimte te geven. Het parkeervak op eigen terrein – grond vóór de garage – is moeilijk bereikbaar.
1.5.
Naar aanleiding van het bezwaar heeft het college opnieuw beoordeeld of appellant in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerplaats. Bij besluit van 17 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 7 februari 2024 herroepen en de aanvraag van appellant om aanwijzing van een gehandicaptenparkeerplaats nabij zijn woning alsnog afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de beschikking heeft over een parkeermogelijkheid op eigen terrein. Volgens het beleid is appellant erop aangewezen om zijn voertuig op het eigen terrein te parkeren. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college in afwijking van het beleid tot toekenning van de gehandicaptenparkeerplaats had moeten overgaan. De enkele stelling dat de auto niet geparkeerd kan worden vanwege de grootte van de auto, is niet voldoende om te kunnen worden gekwalificeerd als een bijzondere omstandigheid. De reden dat appellant deze auto rijdt, houdt geen verband met zijn beperkingen. Een kleinere auto zou geparkeerd kunnen worden op het stuk grond voor de garage of mogelijk in de garage. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn eigen terrein niet geschikt is als parkeerplaats.
1.6.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Gedurende de procedure bij de rechtbank heeft hij een notitie overgelegd van 24 juni 2024 van [X], sr. adviseur Verkeer, Mobiliteit en Parkeren van Prana Consult. Het college heeft daarop een rijcurve laten uitvoeren door Stadswerk072 en daaruit geconcludeerd dat de Tesla kan worden geparkeerd voor of in de garage. Hierop is van de zijde van de door appellant geraadpleegde deskundige gereageerd met een nadere notitie van 7 januari 2025.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant op de zitting heeft erkend dat de Tesla op het terrein vóór de garage geparkeerd kan worden, hoewel dit lastig is. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat de verkeersveiligheid niet in het geding komt, indien appellant voldoende voorzichtigheid betracht bij het in- en uitrijden. Het is volgens het college niet verboden om met de auto door de steeg te rijden. Het bord ‘doodlopende weg’ aan het begin van de steeg is geplaatst omdat niet zonder steken in één keer door de steeg gereden kan worden. Echter, voor het parkeren van de auto is het mogelijk om via de ene kant van de steeg erin te rijden, de auto te parkeren en via de andere kant eruit te rijden. Dit maakt dat het niet onveilig is om de auto hier te parkeren omdat er dan vooruit ingereden en vooruit uitgereden kan worden. Het bezitten van een grote auto is geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2 van Pro de Beleidsregels voor parkeervoorzieningen gehandicapten in de gemeente Alkmaar.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Artikel 12, aanhef en onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer bepaalt dat de plaatsing van het bord E6 (gehandicaptenparkeerplaats), als bedoeld in bijlage 1, behorende bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, krachtens een verkeersbesluit moet geschieden.
4.2.
Het college hanteert bij de uitvoering van zijn bevoegdheid om verkeersbesluiten te nemen over gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken, de Beleidsregels voor parkeervoorzieningen gehandicapten in de gemeente Alkmaar (beleid). Deze bepalen, voor zover hier van belang, het volgende. Gekeken wordt of de aanvrager de beschikking heeft over parkeergelegenheid op eigen terrein. Als dit het geval is, wordt de gehandicaptenparkeerplaats niet toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit toch rechtvaardigen, zoals bijvoorbeeld het ontbreken van voldoende manoeuvreerruimte, indien nodig.
4.3.
Het criterium om geen gehandicaptenparkeerplaats toe te kennen indien een geschikte eigen parkeerplaats aanwezig is, is volgens vaste rechtspraak van de Raad, niet onredelijk. [1]
4.4.
Niet in geschil is dat appellant een eigen parkeerplaats vóór zijn garage heeft. Appellant heeft aangevoerd dat deze parkeerplaats niet geschikt is omdat hij onvoldoende manoeuvreerruimte heeft en de verkeersveiligheid in geding is. Daarmee doet appellant een beroep op de in het beleid bedoelde bijzondere omstandigheden. Aangezien dit een uitzonderingsclausule betreft, ligt het op de weg van degene die zich daarop beroept om te onderbouwen dat hiervan sprake is.
4.5.
Vaststaat dat appellant de Tesla daadwerkelijk kan parkeren op de eigen parkeerplaats voor de garage. Dit blijkt niet alleen uit de door het college bij de rechtbank ingediende foto, maar ook uit de door appellant in hoger beroep ingediende videobeelden. Ook volgens de door appellant geraadpleegde deskundige laten de videobeelden zien dat, met inachtneming van de nodige voorzichtigheid, een parkeermanoeuvre naar en vanaf het voorplein bij de garage rijtechnisch mogelijk is. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de beroepsgrond dat appellant onvoldoende manoeuvreerruimte heeft om zijn Tesla op eigen terrein te kunnen parkeren, niet slaagt.
4.6.
Verkeersveiligheidsaspecten kunnen worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het beleid, maar alleen voor zover deze een direct verband hebben met de parkeerplaats op eigen terrein. Dat appellant om de parkeerplaats op het eigen terrein te kunnen bereiken “heen en weer” moet steken op een plek waar anderen langs kunnen komen of uit hun tuindeuren kunnen stappen levert niet een dergelijke bijzondere omstandigheid op. Het “heen en weer” steken bij het parkeren komt namelijk ook voor bij parkeren op de openbare weg, zeker in situaties waarin de parkeerdruk hoog is en het dus soms gaat om een parkeerplaats die net past voor de in te parkeren auto. Ook bij parkeren op de openbare weg bestaat het gevaar dat mensen langsfietsen of kinderen plotseling opduiken tussen de auto’s. De situatie die hier aan de orde is, onderscheidt zich daarvan niet of onvoldoende om van een bijzondere omstandigheid te kunnen spreken.
4.7.
De omstandigheid dat sprake is van krappe toegangswegen naar de parkeerplaats op eigen terrein is evenmin aan te merken als een bijzondere omstandigheid, omdat beide toegangswegen volgens de verkeersregels toegankelijk zijn voor auto’s van eenieder. Appellant neemt dan ook voor het parkeren op eigen terrein geen bijzondere positie in ten opzichte van andere weggebruikers.

Conclusie en gevolgen

4.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat afwijzing van de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman als voorzitter en E.E.V. Lenos en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.

(getekend) C.W.C.A. Bruggeman

De griffier is verhinderd te ondertekenen

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van 19 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2191 en van 27 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4506.