ECLI:NL:CRVB:2026:310

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/1838 JW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in jeugdhulpzaak

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het college van burgemeester en wethouders van Den Haag had opgedragen nieuwe beslissingen te nemen over jeugdhulpvoorzieningen. De rechtbank had het college ook veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten.

Het college nam vervolgens een nadere beslissing waarbij het een bedrag van €21.554,- aan jeugdhulp toekende, waarmee appellante alle bekende nota’s kon voldoen. Tijdens de zitting trok appellante het hoger beroep in en verzocht om een proceskostenveroordeling van het college.

De Raad stelde vast dat het hoger beroep niet was ingetrokken vanwege een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren was tegemoetgekomen, maar los daarvan. Daarom was geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb en wees de Raad het verzoek om proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat het hoger beroep niet is ingetrokken vanwege tegemoetkoming.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1838 JW, 24/1839 JW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2024, 21/1332, 21/3462 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 12 maart 2026
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellante heeft mr. R.M. Noorlander, advocaat, gronden ingediend.
Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak de beslissing op bezwaar van 6 februari 2025, aangevuld op 24 maart 2025 (nader besluit) genomen.
Het college heeft een verweerschrift en stukken ingediend. Appellante heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 december 2025 gelijktijdig met het hoger beroep van [naam 1] (in de zaken met de nummers 24/1843 en 24/1844) en van [naam 2] (in de zaken met de nummers 24/1840, 24/1845, 24/1846 en 25/2536). Voor appellante is mr. Noorlander verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Mauricio de Oliveira.
Appellante heeft het hoger beroep ter zitting ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de beslissing op bezwaar van 7 januari 2021 en het besluit van 16 maart 2021 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en het college opdracht gegeven om nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen over de benodigde voorzieningen voor jeugdhulp met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ook heeft de rechtbank het college veroordeeld in de proceskosten van appellante en het college opgedragen het door appellante betaalde griffierecht te vergoeden.
3. Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Zij heeft zich hierbij met name gekeerd tegen de vaststelling door de rechtbank van de omvang van de immateriële schadevergoeding.
4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 6 februari 2025 het nadere besluit genomen. Met dit besluit heeft het college aan appellante jeugdhulp toegekend voor een bedrag van € 21.554,-. Dit bedrag, samen met eerder toegekende bedragen voor jeugdhulp, stelt appellante in staat om alle aan het college bekendgemaakte nota’s te voldoen.
5. Ter zitting heeft gemachtigde namens appellante medegedeeld dat zij de gronden tegen de aangevallen uitspraak niet langer handhaaft en het hoger beroep intrekt.
6. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellante niet is ingetrokken als gevolg van een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Het college heeft met het nadere besluit uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep stond hier los van. Het verzoek om een proceskostenveroordeling dient dan ook te worden afgewezen, omdat geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
(getekend) C.W.C.A Bruggeman
(getekend) F.M. Gerritsen