1.6.Met een besluit van 10 oktober 2022 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. Het ontslagbesluit is gehandhaafd omdat het bewust indienen van onrechtmatige declaraties, en de wijze van omgaan met diverse financiële verantwoordelijkheden door appellant niet valt te rijmen met wat van een militair ambtenaar mag worden verwacht op het gebied van verantwoordelijkheid en integriteit. Hieraan is, voor zover thans nog van belang, het volgende ten grondslag gelegd.
- Appellant heeft op eigen initiatief – zonder tussenkomst van het RBD – voor de groepsreis naar Normandië 52 hotelkamers gereserveerd voor zes nachten, terwijl uiteindelijk maar gedurende drie nachten van 47 hotelkamers gebruik is gemaakt. Omdat appellant met het hotel geen afspraken had gemaakt over annulering en restitutie, heeft het hotel de drie nachten, waarvan geen gebruik meer is gemaakt, in rekening gebracht en geen geld gerestitueerd vanwege het vervroegde vertrek. Dit had voorkomen kunnen worden.
- Appellant heeft bij het indienen van de reisdeclaratie voor de hele groep en voor hemzelf de reisperiode (bewust) niet aangepast aan het voortijdig vertrek, waardoor aan het gehele orkest en aan hemzelf een te hoog bedrag aan vergoedingen is betaald.
- Appellant heeft een declaratie ingediend en een vergoeding van € 48,28 ontvangen voor Zaterdag- Zondag en Feestdag-uren (hierna: ZZF-uren), terwijl hij niet op een zaterdag, zondag of feestdag ( 8, 9 en 10 juni 2019) in Normandië was. Alvorens deze declaratie in te kunnen dienen bij zijn leidinggevende heeft appellant meerdere handelingen moeten verricht en een controle moeten uitvoeren. Hij had zich er dus van bewust kunnen en moeten zijn dat hij onjuiste gegevens verstrekte en daarmee een onrechtmatige declaratie indiende.
- Voor de betaling van het hotel in Normandië had appellant € 4.500,- geleend uit de zogeheten CD-pot. Daarin bevindt zich geld afkomstig uit de verkoop van CD’s en merchandising. Ondanks herhaaldelijke verzoeken heeft hij de CD-pot pas aangevuld in maart 2021, na hiertoe te zijn gesommeerd.
- Appellant heeft op 6 november 2020 een aanvraag bij zijn leidinggevende ingediend voor de uitruil aanvullende kilometervergoeding, die wordt uitgekeerd wanneer de militair voldoet aan de voorwaarde van een minimaal aantal reisdagen woon-werkverkeer in een betreffende periode. Om aan dit minimale aantal reisdagen te komen, heeft appellant ook niet-gedeclareerde dienstreizen in de berekening meegenomen, terwijl dat niet is toegestaan. Hij stelt hiervoor toestemming te hebben gehad van zijn leidinggevende , maar de leidinggevende ontkent dit. Daarmee heeft hij bewust foutieve gegevens aangeleverd. De officier van justitie heeft appellant op 22 december 2021 schuldig geacht aan het opzettelijk verstrekken van valse reisgegevens, waardoor ten onrechte een tegemoetkoming is verstrekt en/of een fiscaal voordeel voor appellant is ontstaan. De officier van justitie heeft hiervoor een voorwaardelijk sepot opgelegd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gedragingen van appellant terecht zijn gekwalificeerd als verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten en dat de Kroon bevoegd was om over te gaan tot ontslag. Gelet op het aantal toerekenbare gedragingen en de functie van appellant destijds als leidinggevende en [naam functie] , kan het ontslag dan ook niet als onevenredig aan de aard en de ernst van de nalatigheid worden aangemerkt.
Het standpunt van appellant
3 . Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.