ECLI:NL:CRVB:2026:340

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
25/1453 RM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:2 AwbArt. 8:72 AwbArt. 3 Ambtenarenwet 2017
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen niet-aanmerking als gerede kandidaat raadsheer in opleiding

Appellante, werkzaam als rechter- en raadsheer-plaatsvervanger, werd in 2023 door het gerechtsbestuur aangemeld als gerede kandidaat voor de functie van raadsheer in opleiding. De Landelijke Selectiecommissie Rechters (LSR) wees haar in november 2024 af als gerede kandidaat, waarna appellante bezwaar maakte bij de Raad voor de rechtspraak. Deze verklaarde het bezwaar ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de schriftelijke mededeling van 25 november 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het geen wijziging in de rechten en plichten van appellante als rechterlijk ambtenaar teweegbrengt. De Raad stelt vast dat de gerede kandidaat-procedure per 1 januari 2025 is afgeschaft en dat aanmerken als gerede kandidaat geen benoeming inhoudt, maar slechts een aangepaste selectieprocedure.

Daarom had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit. Verweerder moet het betaalde griffierecht aan appellante vergoeden.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de niet-aanmerking als gerede kandidaat is niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1453 RM
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad voor de rechtspraak van 10 juni 2025
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad voor de rechtspraak (verweerder)
Datum uitspraak: 19 maart 2026

SAMENVATTING

Verweerder heeft appellante niet aangemerkt als een zogeheten gerede kandidaat zoals bedoeld in het Handboek LSR van 29 mei 2023. De Raad is van oordeel dat hiermee geen wijziging is aangebracht in de rechten en plichten van appellante als rechterlijk ambtenaar. Daarom stond daartegen geen bezwaar open. De Raad heeft zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 februari 2026. Appellante is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. de Bruijn, mr. J.E. Biesma en mr. M.J.J. de Vries.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is sinds 2020 werkzaam als rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank [regio] . Verder is zij sinds 2022 werkzaam als raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof [locatie] .
1.2.
In 2023 heeft het gerechtsbestuur van het gerechtshof [locatie] (het gerechtsbestuur) appellante aangemeld bij de Landelijke selectiecommissie rechters (LSR) als zogeheten gerede kandidaat voor de functie van raadsheer in opleiding. De LSR heeft appellante in september 2023 als gerede kandidaat aangemerkt. Vervolgens heeft appellante de daarbij behorende selectieprocedure doorlopen. Met een e-mail van 7 december 2023 heeft de LSR appellante meegedeeld dat zij op dat moment niet in aanmerking komt voor de functie van rechter/raadsheer in opleiding. Daarbij is vermeld dat appellante drie jaar na 4 september 2023 opnieuw kan solliciteren naar die functie. Nadat appellante op deze e-mail had gereageerd, heeft op 29 januari 2024 een gesprek plaatsgevonden tussen appellante en de voorzitter van de LSR. Bij brief van 15 februari 2024 heeft verweerder aan appellante onder meer het volgende meegedeeld: “Namens het Presidium bericht ik u dat de termijn om opnieuw de selectieprocedure te doorlopen, wordt verkort tot één jaar na de afwijzende beslissing. Dit betreft dan de gehele selectieprocedure. Een selectieproces is immers één afgewogen geheel en dit voorkomt dat alleen die onderdelen van een selectie opnieuw worden gedaan die voor de kandidaat een ongunstige uitkomst hebben en geeft bovendien de kans om de resultaten op onderdelen te verbeteren.”
1.3.
Eind oktober 2024 heeft het gerechtsbestuur de LSR (opnieuw) verzocht om appellante als gerede kandidaat aan te merken voor de functie van raadsheer in opleiding bij het gerechtshof [locatie] . Met een e-mail van 25 november 2024 is namens de LSR aan het gerechtsbestuur meegedeeld dat het presidium van de LSR heeft besloten appellante niet als gerede kandidaat aan te merken. Zij kan wel als reguliere kandidaat solliciteren. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt bij verweerder. Met zijn besluit van 10 juni 2025 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar, overeenkomstig het advies van de Landelijke Rechtspraak Adviescommissie Awb, ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat, gezien de uitkomst van de selectieprocedure in 2023, in beginsel niet is voldaan aan criterium b voor het aanmerken als gerede kandidaat, zoals vermeld in het Handboek LSR van 29 mei 2023. Dat criterium houdt in dat op basis van de specifieke vereisten voor de functie van rechter in opleiding dan wel raadsheer in opleiding en de benodigde kwaliteiten mag worden verwacht dat een eventuele openstelling geen andere kandidaten met dezelfde kwalificaties als die van de gerede kandidaat zal opleveren. Ook is hierbij betrokken de ontwikkeling die appellante sinds de afwijzing op 7 december 2023 heeft doorgemaakt. Volgens verweerder is die ontwikkeling niet zodanig dat de verwachting gerechtvaardigd is dat appellante zich als gerede kandidaat kan kwalificeren.
Het standpunt van appellante
2. Appellante is het met de beslissing van verweerder niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

3. De Raad beoordeelt of het bestreden besluit juist is, mede aan de hand van wat appellante in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, omdat de schriftelijke mededeling van 25 november 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb (Algemene wet bestuursrecht). De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
3.1
In de eerste plaats overweegt de Raad het volgende over zijn bevoegdheid om kennis te nemen van dit geschil. Verweerder heeft zich in de beroepsprocedure op het – nadere –standpunt gesteld dat hij geen bestuursorgaan is, gelet op artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb, en dat de uitzondering van het derde lid van dat artikel hier niet van toepassing is. Dat brengt volgens verweerder mee dat niet de Raad maar de burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen over dit geschil. Daarin volgt de Raad verweerder niet.
3.2.
Artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat niet als bestuursorgaan worden aangemerkt onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, alsmede de Raad voor de rechtspraak en het College van afgevaardigden. In het derde lid, zoals dat sinds 1 januari 2020 luidt, is bepaald dat een ingevolge het tweede lid uitgezonderd orgaan, persoon of college wel als bestuursorgaan wordt aangemerkt voor zover het orgaan, de persoon of het college besluiten neemt of handelingen verricht ten aanzien van een persoon met betrekking tot diens in artikel 3 van Pro de Ambtenarenwet 2017 bedoelde hoedanigheid, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden, met uitzondering van een voor het leven benoemde ambtenaar werkzaam bij de Raad van State en zijn afdelingen en de Algemene Rekenkamer.
3.3.
Appellante is onder meer vanwege haar aanstelling als raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof [locatie] rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast in de zin van artikel 3 van Pro de Ambtenarenwet 2017 in verbinding met artikel 1, onder c, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Het voorliggende geschil gaat in inhoudelijke zin over de vraag of verweerder terecht appellante niet heeft aangemerkt als gerede kandidaat voor de functie van raadsheer in opleiding bij het gerechtshof [locatie] , wat volgens appellante een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb dat haar raakt in haar hoedanigheid van rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast. De Raad is, mede gelet op artikel 1:1, derde lid, van de Awb, bevoegd hierover te oordelen.
3.4.
Vervolgens is de vraag aan de orde of de schriftelijke mededeling van 25 november 2024 een wijziging teweegbrengt in de rechten en plichten die appellante als rechterlijk ambtenaar heeft. Anders dan appellante beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. De Raad legt dit hieronder uit.
3.5.
In het Handboek LSR van 29 mei 2023 is vermeld dat een gerede kandidaat in aanmerking kan komen voor een functie als rechter in opleiding of raadsheer in opleiding zonder dat in concurrentie op een open vacature wordt gesolliciteerd. Voor deze kandidaat geldt een aangepast selectietraject. De gerede kandidaat wordt door het bestuur van een gerecht voorgedragen aan het Presidium van de LSR. Om aangemerkt te worden als gerede kandidaat moet aan drie criteria zijn voldaan. Als het Presidium van de LSR positief beslist op het verzoek, hoeft het gerecht geen vacature open te stellen. De gerede kandidaat moet vervolgens de selectieprocedure van de LSR doorlopen. Daarbij blijft de briefselectie achterwege, vormen de testen op analytische vaardigheden onderdeel van het assessmentonderzoek en kan worden besloten om het lokale selectiegesprek pas te laten plaatsvinden na afloop van het LSR-traject. Evenals bij de reguliere procedure geldt bij het assessment een knock-outsysteem en verder geldt dat drie eindgesprekken met leden van de dagcommissie moeten worden gevoerd, die positief moeten worden beoordeeld. Uit de stukken blijkt dat de gerede kandidaat-procedure per 1 januari 2025 is afgeschaft, omdat dit mede uit een oogpunt van transparantie wenselijk is geacht.
3.6.
Uit wat in 3.5 is vermeld volgt dat het aanmerken als gerede kandidaat geen beslissing inhoudt over de benoeming tot rechter in opleiding dan wel raadsheer in opleiding. Nog steeds moet de kandidaat een selectieprocedure doorlopen en wordt deze beoordeeld op geschiktheid. De aanmerking van een rechter-plaatsvervanger of raadsheerplaatsvervanger als gerede kandidaat vergroot weliswaar de kans op benoeming in de functie van rechter in opleiding dan wel raadsheer in opleiding, maar brengt geen verandering in de rechten en plichten van de desbetreffende kandidaat als rechterlijk ambtenaar teweeg. Dat geldt evenzeer voor de spiegelbeeldige situatie waarin sprake is van een (procedurele) beslissing die een gereduceerde kans tot benoeming teweeg brengt in een sollicitatieprocedure. [1] De schriftelijke mededeling van 25 november 2024 is dus niet op rechtsgevolg gericht en is daarmee geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Ook is geen sprake van een andere handeling zoals bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb omdat appellante door de betreffende handeling niet in een rechtspositioneel belang is getroffen, zoals hiervoor overwogen.

Conclusie en gevolgen

3.7.
Uit het voorgaande volgt dat tegen de schriftelijke mededeling van 25 november 2024 geen bezwaar openstond. Om die reden moet het beroep tegen het bestreden besluit gegrond worden verklaard en moet dat besluit worden vernietigd. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
4. Er is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Wel moet verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 194,- vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 10 juni 2025 gegrond en vernietigt dat besluit;
  • verklaart het bezwaar tegen de mededeling van 25 november 2024 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 10 juni 2025;
  • bepaalt dat verweerder aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en G.C. Boot en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.

(getekend) H. Lagas

(getekend) C.E.A. Tessemaker

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:1
1. Onder bestuursorgaan wordt verstaan:
a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of
b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.
2 De volgende organen, personen en colleges worden niet als bestuursorgaan aangemerkt:
(…)
c. onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, alsmede de Raad voor de rechtspraak en het College van afgevaardigden;
(…)
3 Een ingevolge het tweede lid uitgezonderd orgaan, persoon of college wordt wel als bestuursorgaan aangemerkt voor zover het orgaan, de persoon of het college besluiten neemt of handelingen verricht ten aanzien van een persoon met betrekking tot diens in artikel 3 van Pro de Ambtenarenwet 2017 bedoelde hoedanigheid, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden, met uitzondering van een voor het leven benoemde ambtenaar werkzaam bij de Raad van State en zijn afdelingen en de Algemene Rekenkamer.
(…)
Artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
(…)
Artikel 8:2
1. Met een besluit wordt gelijkgesteld:
a. een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon met betrekking tot diens in artikel 3 van Pro de Ambtenarenwet 2017 bedoelde hoedanigheid, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn,
(…)
Ambtenarenwet 2017
Artikel 3
Een overheidswerkgever sluit geen arbeidsovereenkomst met:
(…)
b. 1°. de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet op de rechterlijke organisatie;
(…)

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 23 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:674, overweging 5.2.