ECLI:NL:CRVB:2026:358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning loongerelateerde WGA-uitkering bij 45,04% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het UWV-besluit waarin zijn arbeidsongeschiktheid per 11 mei 2023 werd vastgesteld op 45,04%. Hij stelde dat hij meer medische beperkingen heeft en daardoor niet geschikt is voor de geselecteerde functies. Na onderzoek door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, inclusief een neurologische expertise, concludeerde het UWV dat de beperkingen juist waren vastgesteld en de functies passend.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het UWV-onderzoek. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er sprake is van bewijsnood en wapenongelijkheid, mede vanwege negatieve berichtgeving over UWV-keuringen, en verzocht om benoeming van een deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd die twijfel rechtvaardigt. De medische en arbeidskundige beoordelingen zijn zorgvuldig en adequaat gemotiveerd. De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. De toekenning van de WIA-uitkering blijft daarmee in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellant terecht heeft vastgesteld op 45,04%.