ECLI:NL:CRVB:2025:448
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, voormalig monteur, ontving sinds 2006 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling in 2023 stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waarna de uitkering per 4 april 2023 werd beëindigd. Appellant betwistte dit en voerde aan dat hij meer medische beperkingen heeft dan vastgesteld, en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen adequaat hadden vastgesteld. De Raad onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat appellant geen nieuwe medische informatie heeft aangeleverd die twijfel kan zaaien over de vastgestelde beperkingen.
De Raad wijst het beroep af en bevestigt dat de beëindiging van de WIA-uitkering terecht is. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente afgewezen. De Raad acht het niet noodzakelijk een onafhankelijke deskundige te benoemen, ook niet gezien het beginsel van equality of arms, omdat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt te onderbouwen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.