ECLI:NL:CRVB:2026:39

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
24/1459 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvragen om ontheffing van arbeidsverplichtingen op grond van de Participatiewet

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de afwijzing van aanvragen om ontheffing van arbeidsverplichtingen door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Appellante, die sinds 1 maart 1997 bijstand ontvangt, had verzocht om een permanente ontheffing op basis van artikel 9 van de Participatiewet (PW) vanwege haar medische beperkingen. Het college had eerder een tijdelijke ontheffing verleend, maar weigerde de nieuwe aanvragen omdat appellante geen begin van bewijs had geleverd voor haar stelling dat zij niet in staat was om aan de arbeidsverplichtingen te voldoen. De Raad oordeelde dat appellante niet voldoende medische onderbouwing had gegeven en dat het college niet verplicht was om een medisch onderzoek te initiëren. De hoger beroepen van appellante werden afgewezen, en de eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam werden bevestigd. De Raad benadrukte dat het aan appellante was om aan te tonen dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, wat zij niet had gedaan. De uitspraak bevestigt de noodzaak voor aanvragers om voldoende bewijs te leveren bij aanvragen om ontheffing van arbeidsverplichtingen.

Uitspraak

24/1459 PW, 25/453 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2024, 23/6194 (aangevallen uitspraak 1) en 24 januari 2025, 24/8054 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 13 januari 2026

SAMENVATTING

Deze zaken gaan over de weigering van het college om appellante een ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichtingen. Appellante vindt dat het college haar een permanente ontheffing in de zin van artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet (PW) dan wel een tijdelijke ontheffing op grond van artikel 9, tweede lid, van de PW had moeten verlenen. Net als de rechtbank is de Raad het niet met haar eens. De hoger beroepen slagen daarom niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Kaplan, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. O.C. Bozbiyik, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarmee ingestemd. Daarom heeft de Raad de zaken niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 1 maart 1997 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de PW.
1.2.
Met een besluit van 23 juli 2020, gehandhaafd met een besluit op bezwaar van 19 augustus 2020, heeft het college appellante ontheven van de arbeidsverplichtingen voor de periode van 25 maart 2020 tot en met 24 maart 2022. Appellante heeft tegen het besluit op bezwaar beroep ingesteld, omdat zij van mening is dat het college aan haar op grond van artikel 9, vijfde lid, van de PW een permanente ontheffing van alle arbeidsverplichtingen had moeten verlenen. De rechtbank heeft met haar uitspraak van 22 februari 2021 [1] het beroep ongegrond verklaard. Appellante heeft het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ter zitting van de Raad van 25 oktober 2022 ingetrokken. In het proces-verbaal van de zitting van de Raad van 25 oktober 2022 staat dat:
- appellante het hoger beroep intrekt onder de toezegging van het college dat als appellante medische informatie overlegt waaruit blijkt van een redelijk aanknopingspunt voor nader onderzoek, die informatie zal worden doorgeleid naar een medisch adviseur;
- uit die medische informatie niet alleen moet blijken van beperkingen, maar ook van mogelijke gevolgen daarvan voor de arbeidsinschakeling, bijvoorbeeld diabetes of een hoge bloeddruk die niet onder controle is of bij arbeidsinschakeling niet meer onder controle zal zijn.
1.3.
Appellante heeft op 3 februari 2023 een aanvraag gedaan om haar vrij te stellen van de verplichtingen van artikel 9 van de PW wegens beperkingen/klachten. Zij heeft gesteld dat zij niet in staat is te voldoen aan deze verplichtingen, voor zover deze op haar van toepassing zijn.
1.4.
Met een besluit van 2 maart 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 1 augustus 2023 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag afgewezen.
1.5.
Appellante heeft op 21 februari 2024 eenzelfde aanvraag gedaan als op 3 februari 2023.
1.6.
Met een besluit van 3 april 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 11 juli 2024 (bestreden besluit 2), heeft het college ook deze aanvraag afgewezen.
1.7.
Het college heeft aan beide bestreden besluiten, samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Appellante was op grond van de uitspraak van de rechtbank van 21 februari 2021 en het proces-verbaal van de zitting van de Raad van 25 oktober 2022 ervan op de hoogte, althans had dit kunnen zijn, welke informatie zij als aanvrager van een permanente dan wel tijdelijke ontheffing had moeten verstrekken. Door het stelselmatig afzeggen van de afspraken met de activeringscoach van de gemeente was het onmogelijk te bepalen in welke mate appellante beperkt is dan wel welke medisch adviseur zou moeten worden ingeschakeld om hierover te adviseren. Dat de activeringscoach heeft gesteld dat er een mogelijkheid is een ontheffing af te geven, betekent niet dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen. Een ontheffing kan immers pas met zekerheid worden verleend als appellante meewerkt aan een medisch onderzoek.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank over de afwijzing van de aanvragen om ontheffing juist is. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellante heeft in beide hoger beroepen aangevoerd dat zij een begin van bewijs heeft geleverd van de medische beperkingen die van belang zijn voor de verlening van een (permanente) ontheffing. Zij lijdt namelijk al geruime tijd aan klachten en beperkingen die invloed hebben op haar inzetbaarheid en belastbaarheid en het college is hiermee bekend. Zij stelt zich daarom op het standpunt dat het op de weg van het college lag om haar medisch te onderzoeken. Verder heeft appellante erop gewezen dat het college haar al eerder tijdelijk heeft ontheven van de arbeidsverplichtingen als gevolg van haar klachten en beperkingen en dat een activeringscoach van de gemeente heeft vermeld dat op basis van haar dossier en haar achtergrondinformatie de mogelijkheid bestaat dat zij een ontheffing krijgt van de arbeidsverplichtingen. Deze beroepsgronden slagen niet. Dit wordt hierna uitgelegd.
4.2.
Een betrokkene die een beroep doet op artikel 9, vijfde lid, van de PW moet aannemelijk maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van die bepaling. Dit betekent dat de betrokkene die wenst dat de arbeids- en re-integratieverplichtingen niet op hem of haar van toepassing zijn ten minste een begin van bewijs moet leveren dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit is vaste rechtspraak. [2] Ook bij een aanvraag om een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichting en de tegenprestatie op grond van artikel 9, tweede lid, van de PW is het aan de aanvrager om met een begin van bewijs te komen waaruit blijkt dat er beperkingen zijn waardoor niet aan de verplichtingen van artikel 9 van de PW kan worden voldaan. [3]
4.3.
Appellante heeft in haar aanvragen gesteld dat zij wegens haar beperkingen/klachten niet in staat is te voldoen aan de verplichtingen van artikel 9 van de PW. Zij heeft haar stelling echter niet met (medische) stukken onderbouwd en heeft de afspraken met de activeringscoach stelselmatig afgezegd. Appellante heeft dan ook niet het hiervoor in 4.2 bedoelde begin van bewijs geleverd. Onder deze omstandigheden was het college niet gehouden appellante eerst medisch te onderzoeken alvorens op de aanvragen te beslissen.
4.4.
Dat aan appellante in 2020 een ontheffing is verleend, betekent niet dat zij de onderhavige aanvragen van 3 februari 2023 en 21 februari 2024 niet hoefde te onderbouwen. De in 2020 verleende ontheffing had immers een tijdelijk karakter en appellante wist, gelet op de in 1.2 weergegeven procedure in het kader van die ontheffing, welke informatie voor een nieuwe aanvraag nodig was. Verder heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat de activeringscoach – in een e-mail van 3 maart 2023 aan de gemachtigde van appellante – heeft gesteld dat er een mogelijkheid is om aan appellante een ontheffing voor de arbeidsverplichtingen te verlenen, niet betekent dat de aanvragen ten onrechte zijn afgewezen. Uit dezelfde e-mail blijkt immers dat de activeringscoach de mogelijkheid van het verlenen van een ontheffing koppelt aan het verschijnen van appellante op gesprekken met de activeringscoach.

Conclusie en gevolgen

4.5.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de besluiten tot afwijzing van de aanvragen in stand blijven.
5. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 9
1. De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:
a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a;
c. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c. Zorgtaken kunnen als dringende redenen worden aangemerkt, voorzover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a.
(…)
5. De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, zijn niet van toepassing op de belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 4
v
1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
2. In het eerste lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.
3. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1380.
3.Vergelijk de uitspraak van 23 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:639.