ECLI:NL:CRVB:2026:392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en passendheid nieuw geselecteerde functie
Appellante kreeg een WIA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 57,76%. Na een herbeoordeling door het UWV, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige betrokken waren, werd vastgesteld dat zij per 25 oktober 2022 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het UWV beëindigde daarop haar uitkering en selecteerde nieuwe passende functies, waaronder administratief medewerker finance.
Appellante betwistte de beoordeling, met name de inschatting van haar beperkingen en het opleidingsniveau dat vereist is voor de nieuw geselecteerde functie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het UWV voldoende heeft onderbouwd waarom appellante voldoet aan de functie-eisen.
De Raad concludeert dat het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht is vastgesteld op 34,43%, waardoor de uitkering terecht is beëindigd. De motiveringsgebreken in het bestreden besluit worden gepasseerd omdat appellante hierdoor niet is benadeeld. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellante wordt terecht beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geschikt is voor de nieuw geselecteerde functie.