Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:392

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
24/1738 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 7:12 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en passendheid nieuw geselecteerde functie

Appellante kreeg een WIA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 57,76%. Na een herbeoordeling door het UWV, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige betrokken waren, werd vastgesteld dat zij per 25 oktober 2022 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het UWV beëindigde daarop haar uitkering en selecteerde nieuwe passende functies, waaronder administratief medewerker finance.

Appellante betwistte de beoordeling, met name de inschatting van haar beperkingen en het opleidingsniveau dat vereist is voor de nieuw geselecteerde functie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het UWV voldoende heeft onderbouwd waarom appellante voldoet aan de functie-eisen.

De Raad concludeert dat het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht is vastgesteld op 34,43%, waardoor de uitkering terecht is beëindigd. De motiveringsgebreken in het bestreden besluit worden gepasseerd omdat appellante hierdoor niet is benadeeld. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De WIA-uitkering van appellante wordt terecht beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geschikt is voor de nieuw geselecteerde functie.

Uitspraak

24/1738 WIA
Datum uitspraak: 1 april 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juni 2024, 23/3622 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellante per 25 oktober 2022 heeft beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en voldoet zij niet aan de opleidingseisen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIAuitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Winia, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 maart 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Winia. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het Uwv schriftelijk nadere vragen gesteld.
Het Uwv heeft de vragen van de Raad beantwoord. Appellante heeft hierop gereageerd. Het Uwv is schriftelijk ingegaan op de reactie van appellante. Appellante heeft daarop bij schrijven van 24 december 2025 gereageerd.
Onder toepassing van artikel 8:74, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als administratief medewerkster voor 36 uur per week. Met een besluit van 15 oktober 2020 heeft het Uwv appellante een uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 57,76%.
1.2.
In verband met een herbeoordeling na de melding van 10 januari 2022 van appellante over een verslechterde gezondheidssituatie, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 juni 2022. De arbeidsdeskundige heeft voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 24 augustus 2022 de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van appellante met ingang van 25 oktober 2022 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Bij besluit van 14 april 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft hiertoe het volgende overwogen.
2.1.
Volgens de rechtbank heeft het medisch onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, een anamnese op basis van twee telefoongesprekken van de verzekeringsarts met appellante, een hoorzitting op 16 maart 2023 in aanwezigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een studie van de overgelegde informatie van de behandelend sector. Verder heeft de rechtbank geen reden gezien om het medisch oordeel onjuist te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 20 maart 2023 toereikend gemotiveerd hoe zijn beoordeling over de beperkingen tot stand is gekomen, waarbij hij is ingegaan op alle in bezwaar ontvangen medische informatie en zijn onderzoeksbevindingen. Ook is hij in het rapport van 3 juni 2022 specifiek ingegaan op de polsklachten van appellante en heeft hij beperkingen vastgesteld voor hand- en vingergebruik, voor tillen tijdens het werk en voor dragen tijdens het werk. De rechtbank heeft verder geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de verzekeringsartsen aanvullende beperkingen hadden moeten aannemen voor wat betreft de whiplash gerelateerde klachten van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had al aanvullende beperkingen vastgesteld en verwerkt in de FML van 6 april 2023. Appellante heeft in beroep geen nieuwe medische stukken overgelegd waarmee de door haar gestelde extra beperkingen op de datum in geding, 25 oktober 2022, worden onderbouwd. Nu geen twijfel bestaat aan de juistheid van het medisch oordeel, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen.
2.2.
In beroep heeft het Uwv vastgesteld dat bij het arbeidskundig onderzoek is verzuimd te beoordelen of de door de arbeidsdeskundige per 20 oktober 2020 geselecteerde functies op 25 oktober 2022 nog steeds passend en actueel waren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft dit verzuim hersteld in het rapport van 27 juni 2023 en alsnog voldoende andere passende functies kunnen selecteren, waarmee het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante per 25 oktober 2022 is gewijzigd naar 34,43%. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de belasting van deze nieuw geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt, zodat deze functies voor appellante geschikt zijn.
2.3.
Dat de mate van arbeidsongeschiktheid tijdens eerdere beoordelingen door het Uwv diverse malen is gewijzigd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In deze procedure staat namelijk uitsluitend het bestreden besluit ter beoordeling. Eerdere beoordelingen vonden op verschillende momenten plaats waarbij de actuele verdiencapaciteit van appellante is vastgesteld, dat wil zeggen het verschil tussen het eerder verdiende loon en het loon op basis van de geselecteerde voorbeeldfuncties met inachtneming van de na verzekeringsgeneeskundig onderzoek vastgestelde beperkingen.
2.4.
De rechtbank heeft in verband met wat onder 2.2 is overwogen aanleiding gezien te oordelen dat de motivering van het bestreden besluit niet juist was. Nu dit in beroep is hersteld, heeft de rechtbank aanleiding gezien dit zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek te passeren, nu aannemelijk is dat appellante daardoor niet is benadeeld. Wel heeft de rechtbank daarom geoordeeld dat het Uwv het griffierecht aan appellante moet vergoeden en dat appellante een vergoeding krijgt van haar in beroep gemaakte proceskosten.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft herhaald dat haar beperkingen zijn onderschat, in het bijzonder de beperkingen aan de rechterhand, maar ook in verband met lichtprikkels en drukte. Ook heeft appellante opnieuw aangevoerd dat in de FML ten onrechte geen urenbeperking is opgenomen in verband met het gebruik van het TENSapparaat. In dit verband heeft appellante opgemerkt dat zij niet kan begrijpen dat het Uwv eerder een urenbeperking van toepassing achtte in verband met haar klachten na een dubbele whiplash en daarvoor nu geen aanleiding meer wordt gezien. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat ten onrechte is geoordeeld dat haar opleidingsniveau gelijk staat aan MBO 3.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellante in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat dit zo is en dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten behoeve van het rapport van 20 maart 2023 een grote hoeveelheid aan overgelegde medische stukken bij zijn onderzoek betrokkenen en is daarop gemotiveerd ingegaan. Voorts is de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 12 februari 2025 uitvoerig ingegaan op de beroepsgronden van appellante en heeft hij overtuigend gemotiveerd waarom de in de FML van 6 april 2023 vastgestelde beperkingen in verband met de hand- en polsklachten volstaan. De door appellante ervaren klachten zijn uitgevraagd, de operatie aan de rechterhand in 2019 is bij de beoordeling betrokken evenals de behandeling in verband met neuropathie. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwezen naar de informatie van de plastisch chirurg van 3 juli 2019, waarin staat dat de peesschedeklachten en de klachten van de neuropathie zijn verdwenen. Wel blijft sprake van instabiliteit van het duimbasisgewricht, waarvoor handtherapie is voorgeschreven, die appellante ook heeft gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder de brief van de handtherapeut van 14 augustus 2020 aangehaald, waarin staat dat ondanks opgebouwde kracht de klachten hetzelfde waren gebleven en chronisch zijn geworden. Vanwege deze klachten is appellante nog steeds beperkt geacht ten aanzien van grijp- en knijpkracht beiderzijds en voor fijne motorische handelingen vanwege de brace rechts. Ook het tillen en dragen is nog steeds beperkt geacht. Maar objectieve informatie waaruit blijkt dat appellante niet in staat is om bijvoorbeeld een stapeltje post, een ordner of papier te pakken, zoals appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ontbreekt. In dit verband heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat de beweeglijkheid van de vingers goed is en dat appellante in staat is om dit soort spullen te dragen als zij dit onderhands doet, waarbij de duim bovenop steunt. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd waarom het gebruik van het TENS-apparaat op zich geen medische grond is voor het stellen van een urenbeperking. Dat eerder wel een urenbeperking is gesteld, hing samen met een revalidatietraject dat appellante per 15 oktober 2018 volgde gedurende drie dagen per week. In het rapport van 16 oktober 2018 heeft de toen betrokken arts van het Uwv overwogen dat vanwege de intensieve behandeling appellante tijdelijk niet fulltime beschikbaar was voor werk en om die reden een medische urenbeperking was geïndiceerd. Met de betrekking tot de overgevoeligheid van appellante voor lichtprikkels en drukte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat daarvoor al beperkingen zijn gesteld. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie met betrekking tot de datum in geding, 25 oktober 2022, overgelegd. Er is gelet op het vorenstaande geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank niet te volgen.
Arbeidskundige beoordeling
4.3.
Tijdens de beroepsfase heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de voor appellante geselecteerde functies geactualiseerd. Hierbij is onder meer de functie van “administratief medewerker finance” voor appellante nieuw geselecteerd. Volgens de zogeheten arbeidsmogelijkhedenlijst AO-criterium wordt voor deze functie vereist:
- opleidingsniveau 3;
- opleiding: niveau MBO 3 op financieel gebied, en
- ervaring: één jaar werkervaring in een soortgelijke functie.
Appellante betwist dat zij aan deze voorwaarden voldoet.
4.4.
Met betrekking tot de gronden over het opleidingsniveau is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd dat een afgeronde LEAO-opleiding met diploma vergelijkbaar is met een opleiding MBO 1 of MBO 2 en dat dit volgens vaste rechtspraak opleidingsniveau 3 met zich brengt. [1]
4.5.
Tijdens de zitting is gebleken dat behoefte bestond aan een nadere toelichting van het standpunt van het Uwv, dat appellante voldoet aan de opleidings- en ervaringseis die geldt voor de functie administratief medewerker finance. Daarbij was bovendien niet duidelijk wat de werkzaamheden van de maatgevende arbeid van appellante concreet inhielden.
4.5.1.
Met een reactie van 25 april 2025 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep antwoord gegeven op de hierover door de Raad gestelde vragen. Daarbij is een overzicht gegeven van de door appellante gevolgde opleidingen en haar werkervaring. Hieruit blijkt dat appellante in de periode 1998 tot 2000 heeft gewerkt als boekhoudmedewerker bij [naam] B.V. In deze functie was zij verantwoordelijk voor banken boeken (vreemde valuta banken), voor geldbeheer, zoals bestellen van vreemde valuta, voor de maandafsluiting en voor het notuleren van vergaderingen. Na deze periode is zij werkzaam geweest als callcentermedewerker, wederom administratief medewerker, backoffice assistent (beide bij [naam bank] ). In de andere functies heeft appellante administratieve taken gedaan, waaronder het muteren van gegevens in de computersystemen, klantencontacten en archiveren. Onder verwijzing naar de in hoger beroep overgelegde arbeidsdeskundige rapporten van 27 januari 2009 en 1 februari 2007 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nader toegelicht dat de maatgevende arbeid van appellante inhoudt het verrichten van administratief werk, met telefonische contacten met klanten. Daarnaast behoorde tot de maatgevende arbeid het dossierbeheer in groepsverband. Appellante werkte op een afdeling met ongeveer tachtig personen in vijf units voor de bankgaranties van de werkgever voor heel Nederland. Zij voltooide de laatste processtap van de bankgaranties. De belangrijkste taken bestonden uit het administratief afronden van bankgaranties, archiveertaken, telefoonbeheer en diverse andere werkzaamheden.
4.5.2.
Kijkend naar de nieuw geselecteerde functie van “administratief medewerker finance”, zijn volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de volgende werkzaamheden/taken aan de orde. Ontvangt bij aanvang van de werkdag van het hoofd financiële afdeling de papieren facturen of declaraties die ingevoerd moeten worden. Krijgt verder via de mail of het systeem een melding als er een factuur, declaratie of afschrijving klaar staat. Maakt gebruikt van twee verschillende systemen. Opent het juiste systeem (voor papieren stukken of digitale stukken) en voert de juiste gegevens in. Controleert door het systeem zelf automatisch ingevoerde gegevens op juistheid. Rekent zo nodig handmatig het juiste btw-bedrag uit als er buitenlandse bedragen tussen zitten. Zoekt bij creditcardafschrijvingen de juiste bonnen erbij en vraagt deze zo nodig bij de juiste persoon op. Stempelt de papieren stukken en vermeldt met pen aanvullende gegevens zoals btw-bedrag, crediteurnummer en juiste afdeling. Brengt de papieren stukken terug naar de afdelingen voor ondertekening van leidinggevenden. Meldt de digitale stukken af in het systeem waardoor deze automatisch naar de leidinggevenden worden gestuurd. Draait controlelijsten uit die steekproefsgewijs door het hoofd financiële afdeling worden gecontroleerd. Neemt bij drukte of afwezigheid van een collega de telefoon op. Beantwoordt vragen over de status van betalingen en kijkt dit na in het systeem. Kan ook per mail of post aanmaningen ontvangen. Bekijkt of de betalingen binnen het termijn voldaan kan worden en neemt zo nodig contact op als dit niet tijdig geregeld kan worden. Werkt nauwkeurig en accuraat. Helpt circa drie halve dagen per jaar met het schonen van het archief. Leegt alle mappen die in een stellingkast staan in een container. Zorgt elke dag voor een opgeruimde werkplek. Het betreft het invoeren van papieren facturen of declaraties. Verricht een aantal administratieve handelingen. Heeft telefonisch contact met derden met betrekking tot het opvragen van documenten of beantwoorden van de status van een betaling. Berekent in sommige gevallen zelf de btw uit. Verricht archiveer taken.
4.5.3.
Naast de opleidingseisen stelt de werkgever bij de functie “administratief medewerker finance” een ervaringseis van één jaar werkervaring in een soortgelijke functie. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan uit het arbeidsleven van appellante worden
afgeleid dat zij meer dan één jaar werkervaring heeft in soortgelijke functie(s). In het merendeel van de door haar uitgevoerde functies, zo blijkt uit haar CV, heeft zij kennis en ervaring opgedaan met contacten met klanten, muteren in en tekstverwerken in computersystemen en verrichten van administratieve werkzaamheden als ook archiveertaken. Verder heeft appellante twee jaar gewerkt bij Promidi B.V. in de functie van boekhoudmedewerker en heeft zij ervaring met het werken met financiële gegevens.
In de maatgevende arbeid was cliënt verantwoordelijk voor het controleren van handtekeningen van belangrijke documenten en het verrichten van callback, telefonische contacten en rappelleren, compleet maken van gegevens, garanties afboeken en terugvragen van garanties. Samenvattend heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat appellante op basis van haar opleidingen en arbeidsverleden kan voldoen aan de gevraagde ervaringseis.
4.6.
Appellante heeft in haar reactie aangevoerd het nog steeds oneens het zijn met het Uwv. In haar maatgevende arbeid had zij weliswaar te maken met bankgaranties, maar zij voerde slechts de laatste, administratieve stap van het gehele proces van bankgaranties uit. Volgens appellante betrof het volledig administratief werk, waarbij zij niet is bezig geweest met declaraties of andere financiële zaken. In de nieuw geselecteerde functie van administratief medewerker finance moeten volgens appellante werkzaamheden worden verricht waar zij geen enkele ervaring mee heeft. Zij heeft immers nog nooit financiële gegevens op juistheid hoeven controleren of een btw-bedrag moeten uitrekenen.
4.7.
De reactie van appellante is voor het Uwv aanleiding geweest om de arbeidsdeskundig analist in te schakelen voor het antwoord op de vraag of de opleidingen en werkervaring van appellante voldoende zijn voor de werkgever voor de functie van administratief medewerker finance. Uit het rapport van 3 oktober 2015 blijkt dat de arbeidsdeskundig analist contact heeft opgenomen met de werkgever en dat hieruit naar voren is gekomen dat het werk voornamelijk inhoudt het verwerken/inboeken van onder andere werkbonnen, het opmaken van (proef)facturen en het inboeken ervan. Bij boekingen van en naar de bank moet ten aanzien van de hiermee gemoeide bedragen worden kortgesloten met de accountant. Het bijwerken van journaalposten, dagboeken, en het verdiepen in financiële onderwerpen zoals btw wordt niet gedaan in deze functie, evenmin als het maken van boekingen en het opstellen van rapportages. Het echte boekhouden komt voor rekening van de accountant. In deze functie worden slechts de gegevens ingevoerd, geregistreerd en aangeleverd. De functie betreft een administratief, analyserende, verzamelende functie, waarbij gegevens in een systeem worden gezet. Kijkend naar de opleidingen welke appellante heeft gevolgd, los van het met succes afronden daarvan, en haar werkervaring zoals is beschreven en bekend is, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat appellante voldoende vaardigheden en bekwaamheden heeft voor deze functie.
4.8.
In de door het Uwv in hoger beroep gegeven uitgebreide toelichting is voldoende onderbouwd en inzichtelijk gemaakt waarom appellante voldoet aan de gestelde voorwaarden van de nieuw geselecteerde functie van administratief medewerker finance. Het gaat om een voornamelijk administratieve functie bij een financiële werkgever en de werkzaamheden sluiten aan bij zowel de ervaring als de gevolgde opleidingen van appellante. Het Uwv heeft appellante daarom terecht geschikt geacht voor deze functie.
4.9.
Het vorenstaande betekent dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante per 25 oktober 2022 terecht heeft vastgesteld op 34,43%.
Conclusie en gevolgen
5. Het bestreden besluit is, gelet op de nadere arbeidsdeskundige motivering, pas in hoger beroep voorzien van een toereikende motivering. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb zal onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.
6. De toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de reacties op de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 april 2025 en 3 oktober 2025, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Ook moet het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 138,- vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.802,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.CRvB 25 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1224.