Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:395

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
24/1133 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 35 ParticipatiewetArt. 31 ParticipatiewetArt. 34 ParticipatiewetArt. 36 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gedeeltelijke weigering bijzondere bijstand voor kosten bewindvoering 2022

Appellant en zijn echtgenote vroegen bijzondere bijstand aan voor de kosten van bewindvoering over 2022. Het college kende over de eerste helft van 2022 volledige bijzondere bijstand toe, maar over de tweede helft slechts gedeeltelijk vanwege draagkracht. Appellant was het hier niet mee eens en maakte bezwaar, waarna het college het bezwaar deels honoreerde voor de eerste helft van 2022.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond voor het overige en wees het verzoek om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Appellant stelde in hoger beroep dat het college ten onrechte draagkracht had vastgesteld voor de tweede helft van 2022 en dat de rechtbank niet op zijn verzoeken had beslist.

De Raad oordeelde dat de beëindiging van schuldhulpverlening rechtmatig was en dat het college terecht draagkracht had berekend. Ook was rekening gehouden met gemiste toeslagen en beslaglegging. Het verzoek om vergoeding van schade wegens termijnoverschrijding was niet tijdig ingediend. De rechtbank had wel degelijk beslist op de vergoeding van bezwaarkosten, die door het college erkend waren. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de gedeeltelijke weigering van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering over 2022.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1133 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 april 2024, 22/5023 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (college)
Datum uitspraak: 24 maart 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om een gedeeltelijke weigering van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering over 2022. Het college heeft over de periode van 1 juli tot en met 31 december 2022, anders dan voor de periode daarvoor, slechts gedeeltelijk bijzondere bijstand toegekend voor die kosten, met als reden dat appellant en zijn echtgenote in die periode voldoende draagkracht hadden om het resterende deel van die kosten zelf te betalen. Appellant is het daar niet mee eens. Hij vindt dat zij ook over deze periode volledig recht op bijzondere bijstand hebben omdat hij en zijn echtgenote geen draagkracht hebben. Appellant krijgt, net als bij de rechtbank, daarin geen gelijk. Daarnaast gaat het in deze zaak om een verzoek om vergoeding van schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. Volgens appellant heeft de rechtbank nagelaten om op dit verzoek te beslissen. Ook daarin krijgt appellant geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen met een brief van 22 augustus 2025 (regiebrief) laten weten hoe de Raad het geschil voorshands ziet, aan het college vragen gesteld en appellant in de gelegenheid gesteld zijn beroepsgronden nader toe te lichten. Het college heeft op 2 september 2025 op de regiebrief gereageerd. Ook heeft het college een nader stuk ingediend. Appellant heeft – ook na rappel – niet op de regiebrief gereageerd.
De Raad heeft partijen vervolgens laten weten dat hij op grond van het dossier een zitting niet nodig vindt en hen gewezen op hun recht om te worden gehoord. Partijen hebben niet binnen de hen gegeven termijn verklaard gebruik te willen maken van dat recht. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft inkomsten uit arbeid. Zijn echtgenote ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Appellant en zijn echtgenote zijn in verband met problematische schulden onder bewind gesteld en zijn op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening toegelaten tot de schuldhulpverlening.
1.2.
Op 7 december 2021 hebben appellant en zijn echtgenote een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet ingediend voor de kosten van bewindvoering voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022. Het gaat daarbij om een bedrag van € 194,81 per maand.
1.3.
Het college heeft met besluiten van 10 maart 2022, die desgevraagd op 30 juni 2022 (nogmaals) aan appellant en zijn echtgenote zijn toegezonden, de schuldhulpverlening beëindigd. Volgens het college hebben appellant en zijn echtgenote niet voldaan aan hun verplichting om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is gedurende de aanvraagperiode en tijdens de schuldhulpverlening. Met de uitspraak van 18 februari 2026 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [1] zijn deze besluiten in rechte komen vast te staan.
1.4.
Met een besluit van 18 maart 2022 heeft het college appellant en zijn echtgenote bijzondere bijstand voor de onder 1.2 vermelde kosten toegekend tot een bedrag van € 113,79 per maand omdat appellant en zijn echtgenote voldoende draagkracht hebben om zelf het resterende deel van de kosten te betalen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 26 maart 2022 heeft het college dit bezwaarschrift ontvangen.
1.5.
Met een besluit van 7 juli 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 en appellant en zijn echtgenote bijzondere bijstand toegekend voor de volledige kosten van bewindvoering voor die periode, zijnde € 194,81 per maand. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant en zijn echtgenote, gelet op een vaste werkafspraak, over voornoemde periode niet over draagkracht beschikten omdat zij in de schuldhulpverlening zaten, waarbij het college de nieuwe verzenddatum van de onder 1.3 vermelde besluiten als datum van beëindiging van de schuldhulpverlening heeft aangehouden. Over de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022 beschikten appellanten over een draagkracht van € 81,02 per maand, die zij voor deze kosten kunnen aanwenden. Het college heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 35, eerste lid, van de Nadere regels sociaal domein Alphen aan den Rijn (beleidsregels). Verder heeft het college met het bestreden besluit het verzoek van appellant om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afgewezen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit over de afgewezen vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten gegrond verklaard en het college veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 1.750,-. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit voor het overige ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit over de toekenning van bijzondere bijstand in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard en niet op het verzoek van appellant om vergoeding van schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn en de bezwaarkosten heeft beslist.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de bijzondere bijstand in stand heeft gelaten en of zij heeft nagelaten te beslissen op een verzoek van appellant om vergoeding van schade en om toekenning van de bezwaarkosten. De Raad doet dit aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Bijzondere bijstand
4.1.
Appellant voert aan dat hij en zijn echtgenote ook over de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022 geen draagkracht hebben. Appellant stelt dat de beëindiging van de schuldhulpverlening onrechtmatig is zodat het inkomen van hem en zijn echtgenote, gelet op de vaste werkafspraak, ook over voornoemde periode gelijkgesteld moet worden met de van toepassing zijnde bijstandsnorm. De beroepsgrond slaagt niet.
4.1.1.
Met de onder 1.3 vermelde uitspraak van de Afdeling staat de beëindiging van de gemeentelijke schuldhulpverlening in rechte vast. Dit betekent dat deze beëindiging rechtmatig is en dat het college, gelet op de gehanteerde datum van beëindiging van 30 juni 2022, terecht per 1 juli 2022 een draagkrachtberekening heeft gemaakt.
4.2.
Appellant voert voorts aan dat het college bij de draagkrachtberekening geen rekening heeft gehouden met de extra woonkosten. Er is namelijk wel rekening gehouden met alle inkomsten, maar niet met gemiste toeslagen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.1.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college bij de berekening van de draagkracht rekening heeft gehouden met de gemiste huur- en zorgtoeslag. Het gaat om bedragen van € 358,37 en € 92,09. Ook heeft het college rekening gehouden met een inhouding voor diversen op het salaris van appellant van € 354,91 en is het college uitgegaan van beslaglegging op het inkomen, waarover appellant redelijkerwijs niet kan beschikken. Daarnaast heeft het college rekening gehouden met executoriaal beslag van € 119,64. Het college heeft zo in overeenstemming met zijn beleid de draagkracht van appellant en zijn echtgenote vastgesteld. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld heeft het college daarmee bij de berekening van de draagkracht voldoende rekening gehouden met de persoonlijke situatie van appellant en zijn echtgenote.
Niet beslissen op het verzoek om vergoeding van schade en kosten
4.3.
Appellant voert aan dat de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op zijn verzoek om vergoeding van schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft dit verzoek niet vóór, maar na de sluiting van het onderzoek ter zitting bij de rechtbank ingediend. Ten tijde van de zitting op 27 februari 2024 was de redelijke termijn nog niet verstreken, maar ten tijde van de uitspraak van de rechtbank wel. Indien de redelijke termijn verstrijkt in de eerste termijn voor het doen van de uitspraak, is die overschrijding voorzienbaar en mag van betrokkene worden verlangd dat hij tijdig voor de sluiting van het onderzoek een verzoek om schadevergoeding doet. In dat geval kan de bestuursrechter niet ambtshalve tot toekenning van die schadevergoeding komen. Dit is vaste rechtspraak. [2]
4.4.
Voor zover appellant als beroepsgrond aanvoert dat de rechtbank niet heeft beslist op de grond dat het college de kosten van bezwaar moet vergoeden, mist deze feitelijke grondslag. Het college heeft in beroep erkend deze kosten verschuldigd te zijn. De rechtbank heeft in de overwegingen 3.5 en 4 duidelijk tot uitdrukking gebracht dat appellant die kosten van het college vergoed krijgt. Dat dit niet met zoveel woorden in het dictum is opgenomen, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden, omdat appellant daar geen belang bij heeft. In reactie op de regiebrief heeft het college onbestreden gesteld dat de proceskostenvergoeding al op 9 juli 2024 aan de gemachtigde van appellant is uitbetaald.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt bevestigd. Dit betekent dat de gedeeltelijke weigering van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering over 2022 in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 35 Individuele Pro en categoriale bijzondere bijstand (zoals dit gold ten tijde van de aanvraag)
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
(…).
Nadere regels sociaal domein Alphen aan de Rijn (geldend van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2022)
Artikel 34. Draagkrachtperiode
1. De draagkracht wordt vastgesteld voor een periode van twaalf maanden.
2. De ingangsdatum van de draagkrachtperiode is de eerste dag van de maand waarin de aanvraag op basis van artikel 35 van Pro de Participatiewet ingediend wordt of een voorziening als bedoeld in artikel 12 van Pro de verordening toegekend wordt.
3. Als bijzondere bijstand met terugwerkende kracht verleend wordt, dan kan in afwijking van lid 2, de ingangsdatum van de draagkrachtperiode bepaald worden op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn.
Artikel 35. Berekening draagkrachtruimte
1. Bij de berekening van de draagkracht wordt uitgegaan van het netto inkomen per maand, exclusief vakantietoeslag, keer twaalf.
2. Als de belanghebbende en zijn eventuele partner een vast inkomen hebben, dan wordt bij de berekening uitgegaan van het meest recente maandinkomen.
3. Als de belanghebbende en/of zijn eventuele partner over een wisselend inkomen beschikken, wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over de afgelopen drie maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag bijzondere bijstand dan wel het toekennen van de voorziening.
4. Middelen die niet tot het inkomen gerekend worden op basis van artikel 31 lid Pro 2, de oudedagsvoorziening als bedoeld in artikel 33 lid Pro 5, de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 en Pro de individuele studietoeslag als bedoeld in artikel 36 sub b van Pro de Participatiewet worden voor de draagkrachtberekening niet meegenomen.
5. De draagkrachtruimte wordt vastgesteld door op het inkomen het volgende in mindering te brengen:
a. 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 sub c van Pro de Participatiewet onder aftrek van de vakantietoeslag als genoemd in artikel 19 lid 3 van Pro de Participatiewet en;
b. eventuele buitengewone lasten die gelet op de persoonlijke situatie van de belanghebbende noodzakelijk zijn, waarvoor geen beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening en geen bijzondere bijstand verleend wordt.
6. Voor de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in lid 5 wordt uitgegaan van de norm die geldt op het moment van de aanvraag.
Artikel 36. Vaststelling draagkracht
1. De draagkracht wordt vastgesteld op 35% van de draagkrachtruimte.
(…)
4. De draagkracht geldt over de periode van 12 maanden.
5. Als sprake is van periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht maandelijks verrekend.
(…).

Voetnoten

2.Zie de uitspraak van 11 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4120.