Deze zaak betreft de vraag of betrokkenen, waaronder erfgenamen en zorgverleners, als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij besluiten van het zorgkantoor tot wijziging en terugvordering van persoonsgebonden budgetten (pgb) ten nadele van een overleden budgethouder.
Het zorgkantoor had de pgb's voor de jaren 2016 tot en met 2019 op nihil vastgesteld en een bedrag van €125.249,81 teruggevorderd. De rechtbank had het beroep van het zorgkantoor afgewezen en het bestreden besluit gehandhaafd. Het zorgkantoor stelde dat betrokkenen geen belanghebbenden waren, een standpunt dat de rechtbank niet had gevolgd.
De Raad oordeelt dat betrokkenen geen belanghebbenden zijn omdat zij geen eigen, persoonlijk en rechtstreeks belang bij de besluiten hebben. Betrokkene 2, als erfgenaam, kon niet aantonen dat de andere erfgenamen instemden met de procedure. De zorgverleners en gewaarborgde hulp ondervinden geen rechtstreeks uit de besluiten voortvloeiende belangen. Daarom wordt het hoger beroep van het zorgkantoor gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Daarnaast verklaart de Raad het bezwaar van betrokkenen tegen de besluiten niet-ontvankelijk en veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens worden proceskosten en griffierechten vergoed aan betrokkenen.