Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:430

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
24/1663 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 7:12 AwbArt. 16 Wet financiering sociale verzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering netto onverschuldigde WIA-uitkering na late melding dienstverband

Appellant ontving een WIA-uitkering vanaf april 2015. Hij meldde pas op 17 februari 2022 dat hij sinds 13 januari 2022 weer werkte en niet langer arbeidsongeschikt was. Hierdoor was de uitkering over februari 2022 al uitbetaald. Het UWV beëindigde de uitkering per 13 januari 2022 en vorderde een bedrag van €4.016,57 bruto terug.

De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de terugvordering niet correct was gemotiveerd en beperkte de terugvordering tot de periode 13 januari tot 28 februari 2022, maar handhaafde het bruto bedrag. Appellant voerde aan dat het bedrag te hoog was en dat zijn verwervingskosten en vakantiegeld niet in mindering waren gebracht. Ook stelde hij dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege financiële en gezondheidsproblemen.

In hoger beroep stelde het UWV het terug te vorderen bedrag bij tot €2.712,82 netto en erkende het vakantiegeld niet terug te vorderen. De Raad oordeelde dat het UWV terecht het netto bedrag terugvordert en dat er geen dringende reden is om van terugvordering af te zien, mede omdat appellant bewust de melding uitstelde tot na de proeftijd. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde zelf het terug te vorderen bedrag. Het griffierecht wordt aan appellant vergoed.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat appellant een netto bedrag van €2.712,82 aan onverschuldigde WIA-uitkering moet terugbetalen en wijst het beroep toe.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1163 WIA en 24/2519 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 31 mei 2024, 22/2222 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht een bedrag van € 2.712,82 netto aan onverschuldigd betaalde WIA-uitkering van appellant heeft teruggevorderd. Volgens appellant is het bedrag van de terugvordering te hoog vastgesteld en is sprake van dringende redenen om van de terugvordering af te zien. De Raad volgt deze standpunten van appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht een bedrag van € 2.712,82 netto aan onverschuldigd betaalde WIA-uitkering van appellant heeft teruggevorderd.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak naar een enkelvoudige kamer verwezen.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 februari 2026. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Bij besluit van 13 februari 2015 heeft het Uwv aan appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend per 6 april 2015. Het betreft een WGA-loonaanvullinguitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.
1.2.
Bij brief van 17 februari 2022, door het Uwv ontvangen op 21 februari 2022, heeft appellant bij het Uwv gemeld dat hij vanaf 13 januari 2022 inkomsten heeft uit werk en dat hij vanaf deze datum niet langer arbeidsongeschikt is. Appellant heeft daarom verzocht om de WIA-uitkering per 13 januari te beëindigen. Bij besluit van 28 februari 2022 heeft het Uwv de WIA-uitkering per 13 januari 2022 beëindigd. Bij beslissing op bezwaar van 27 juli 2023 is het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen geen beroep ingesteld. Het Uwv heeft de WIA-uitkering tot 1 maart 2022 uitbetaald aan appellant.
1.3.
Bij besluit van 30 juni 2022 heeft het Uwv een bedrag van € 4.016,57 bruto aan onverschuldigd betaalde WIA-uitkering over de periode van 1 december 2021 tot en met 28 februari 2022 teruggevorderd. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 9 november 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 juni 2022 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat het Uwv op 21 februari 2022 het verzoek van appellant om de WIA-uitkering stop te zetten/ te beëindigen, heeft ontvangen. Op dat moment was de WIA-uitkering tot en met 28 februari 2022 al uitbetaald. Hierdoor heeft het Uwv de betaling van de WIA-uitkering niet eerder dan per 1 maart 2022 kunnen beëindigen. Bij het vaststellen van het bedrag van de terugvordering is het Uwv uitgegaan van de inkomsten van appellant, zoals deze bekend zijn bij de Belastingdienst. Deze inkomsten heeft appellant niet betwist. Wel heeft appellant aangevoerd dat geen rekening is gehouden met zijn wervingskosten/reiskosten; deze zouden volgens appellant moeten worden afgetrokken van zijn inkomsten. Dit standpunt van appellant heeft het Uwv niet gevolgd omdat hiervoor geen wettelijke basis is. De hoogte van de WIA-uitkering is immers ook gebaseerd op het (basis)inkomen van appellant zonder dat hierop reiskosten in mindering zijn gebracht. Het Uwv blijft daarom bij zijn standpunt dat het bedrag van de terugvordering terecht is vastgesteld op € 4.016,57 bruto. Dit bedrag moet appellant aan het Uwv terugbetalen. Het Uwv heeft geen dringende reden aanwezig geacht om van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv het griffierecht aan appellant moet vergoeden. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de periode van de terugvordering had moeten beperken tot de periode van 13 januari 2022 tot en met 28 februari 2022, en daarmee ook de terugvordering had moeten beperken tot het netto bedrag. Het bestreden besluit is op dit punt ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft het bestreden besluit daarom vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en het Uwv opdracht gegeven om een nieuw besluit te nemen. Daarbij ligt het op de weg van het Uwv om de terugvorderingsperiode te bezien en de nadelige gevolgen van de brutering van de terugvordering weg te nemen.
2.2.
Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant niet heeft betwist dat hij over de periode van 13 januari 2022 tot en met 28 februari 2022 geen recht had op een WIAuitkering en over deze periode te veel aan WIA-uitkering heeft ontvangen. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het de keuze van appellant is geweest om eerst de proefperiode van zijn nieuwe dienstverband af te wachten en het Uwv pas daarna, bij brief van 17 februari 2022, op de hoogte te stellen van zijn inkomsten per 13 januari 2022. Tot slot heeft de rechtbank geen grond gezien om appellant te volgen in zijn standpunten dat het Uwv rekening had moeten houden met zijn verwervingskosten en het bruto bedrag van zijn dertiende maand. De rechtbank komt tot de conclusie dat het Uwv terecht de WIA-uitkering over de periode van 13 januari 2022 tot en met 28 februari 2022 heeft teruggevorderd.
Nader besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak
3.1.
Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 20 juni 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen, waarbij de vordering is beperkt tot de periode van 13 januari 2022 tot en met 28 februari 2022. Het bedrag van de terugvordering was al berekend over deze periode, ook al was dit niet expliciet vermeld in het besluit van 30 juni 2022. Omdat appellant niet heeft terugbetaald voor 1 januari 2023, heeft het Uwv het bedrag van de terugvordering ongewijzigd vastgesteld op € 4.016,57 bruto.
Het standpunt van appellant
3.2.
Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en bestreden besluit 2. Appellant heeft tegen die uitspraak zijn standpunt herhaald dat het onzorgvuldig is dat het Uwv het opgebouwde recht op vakantiegeld niet in mindering heeft gebracht op het terug te vorderen bedrag, ondanks dat het Uwv dit schriftelijk had toegezegd. Ook heeft het Uwv volgens appellant ten onrechte zijn verwervingskosten niet in mindering gebracht op zijn netto inkomsten en het volledige bruto bedrag aan dertiende maand meegenomen als inkomsten. Appellant heeft namelijk diverse onkosten in mindering gebracht op de dertiende maand, waardoor een lager brutobedrag overblijft. Tegen bestreden besluit 2 heeft appellant aangevoerd dat het Uwv hiermee geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak omdat het Uwv nog steeds een bruto bedrag terugvordert in plaats van een netto bedrag. Volgens appellant is sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het Uwv heeft appellant pas op 30 juni 2022 op de hoogte gebracht van de terugvordering Ter zitting heeft appellant toegelicht dat het Uwv ondanks de hoger beroepsprocedure tot invordering is overgegaan en beslag wilde leggen op zijn inkomen. Appellant heeft daarom een lening afgesloten om de terugvordering te kunnen voldoen. Dit heeft voor appellant tot veel stress en financiële zorgen geleid. Daarnaast heeft appellant lichamelijke en psychische klachten gekregen door de spanningen van deze procedure tegen het Uwv, ook omdat deze procedure lang heeft geduurd.
Gewijzigd standpunt van het Uwv in hoger beroep
3.3.
Het Uwv heeft zich in het verweerschrift in hoger beroep alsnog op het standpunt gesteld dat de onverschuldigd betaalde WIA-uitkering netto zal worden teruggevorderd in plaats van bruto. Ook heeft het Uwv besloten het bedrag aan onverschuldigd betaald vakantiegeld niet terug te vorderen. Dit betekent dat er een netto terugvordering resteert van € 2.712,82. Het Uwv blijft bij zijn standpunt dat geen sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. De oorzaak van de terugvordering is het gevolg van de keuze van appellant om met het doorgeven van het dienstverband te wachten tot na afloop van de proeftijd.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Met bestreden besluit 2 wordt niet geheel tegemoetgekomen aan het beroep van appellant. De Raad zal dit besluit, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrekken.
4.2.
In het verweerschrift in hoger beroep heeft het Uwv het bedrag van de terugvordering alsnog verlaagd naar € 2.712,82 netto. Hieruit volgt dat bestreden besluit 2 onjuist is en daarom niet in stand kan blijven. Het beroep tegen bestreden besluit 2 zal gegrond worden verklaard en bestreden besluit 2 zal worden vernietigd.
4.3.
Ter beoordeling ligt voor of het Uwv terecht een bedrag van € 2.712,82 netto aan onverschuldigd betaalde WIA-uitkering over de periode van 13 januari 2022 tot en met 28 februari 2022 heeft teruggevorderd. Ook ligt ter beoordeling voor of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.
4.4.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat zijn verwervingskosten in mindering moeten worden gebracht op zijn netto inkomsten. In artikel 61 van Pro de Wet WIA is bepaald hoe de hoogte van de WGA-uitkering per kalendermaand wordt vastgesteld. Daarbij is van belang wat het inkomen per kalendermaand is. Ingevolge artikel 61, achtste lid, van de Wet WIA wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat onder inkomen wordt verstaan. Dit is gebeurd in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB).
4.4.1.
In artikel 3:2 van Pro het AIB aanhef en onder a wordt onder inkomen verstaan hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van Pro de Wet financiering sociale verzekeringen. Deze bepaling biedt niet de mogelijkheid om verwervingskosten in mindering te brengen op het inkomen. Zoals het Uwv terecht heeft gesteld, is er op grond van de huidige wet- en regelgeving dan ook geen wettelijke basis voor het verminderen van de inkomsten met bijvoorbeeld reiskosten.
4.5.
Ook wordt appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat het Uwv ten onrechte het volledige bruto bedrag aan dertiende maand heeft meegenomen als inkomsten.
4.5.1.
In artikel 4:1, eerste lid, aanhef en onder a, van het AIB is bepaald dat voor de toepassing van de Wet WIA het inkomen wordt herleid tot een bedrag per kalendermaand. Ingevolge het derde lid wordt bij de toepassing van het eerste lid het loon door de uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.
4.5.2.
In artikel 4:1, achtste lid, van het AIB, zoals dit luidt per 1 januari 2022, is bepaald dat het UWV bij de vaststelling van het inkomen het in een aangiftetijdvak opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en de opgebouwde looncomponenten ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag in aanmerking neemt, waarbij het betaalde bedrag aan vakantiebijslag en de uitbetaalde looncomponenten ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag niet in aanmerking worden genomen.
4.5.3.
Uit bovenstaande wettelijke bepalingen volgt dat het Uwv per 1 januari 2022 bij de vaststelling van het inkomen moet uitgaan van de opgebouwde bedragen aan extra periodiek salaris, zoals een dertiende maand, en niet van de uitbetaalde bedragen. Aangezien het in onderhavige zaak gaat om de hoogte van de WIA-uitkering over de periode van 13 januari 2022 tot en met 28 februari 2022, heeft het Uwv terecht ingevolge artikel 4:1, achtste lid, van het AIB het opgebouwde bedrag aan eindejaarsuitkering op de WIA-uitkering in mindering gebracht, en niet het uitbetaalde bedrag.

Dringende redenen

4.6.1.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [1] heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden voortaan als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
4.6.2.
Geoordeeld wordt dat het Uwv in dit geval zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering, alle feiten en omstandigheden die relevant zijn bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen. De terugvordering is ontstaan doordat appellant niet meteen vanaf de aanvang van zijn werkzaamheden per 13 januari 2022 hiervan melding heeft gedaan bij het Uwv, maar pas na afloop van de proeftijd. Het Uwv heeft op 21 februari 2022 de brief van appellant ontvangen waarbij hij heeft verzocht om zijn WIA-uitkering te beëindigen wegens inkomsten uit arbeid. Op dat moment was de WIA-uitkering over de maand februari 2022 al uitbetaald. Dat het Uwv de onverschuldigd betaalde WIA-uitkering niet eerder dan bij besluit van 30 juni 2022 heeft teruggevorderd, maakt niet dat sprake is van een dringende reden. Het Uwv heeft bij besluit van 28 februari 2022 de WIA-uitkering per 13 januari 2022 beëindigd. Vanaf de ontvangst van dit besluit wist appellant dat hij geen recht meer had op een WIA-uitkering per 13 januari 2022. Bovendien had de terugvordering betrekking op een afgesloten periode en is deze niet onnodig opgelopen .Appellant heeft op zitting gesteld dat de terugvordering voor hem heeft geleid tot financiële problemen en gezondheidsklachten, maar hij heeft dit standpunt niet nader onderbouwd. Ook heeft appellant aangevoerd dat de procedure tegen het Uwv erg lang heeft geduurd. De Raad begrijpt dat de gehele procedure voor appellant lang heeft geduurd. Voor zover appellant heeft beoogd een beroep te doen op overschrijding van de redelijke termijn, wordt geoordeeld dat hiervan geen sprake is. Na ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 4 augustus 2022 zijn nog geen vier jaren verstreken.
4.7.
Uit wat is overwogen in 4.4 tot en met 4.6.2 volgt dat het Uwv terecht een bedrag van € 2.712,82 netto aan onverschuldigd betaalde WIA-uitkering van appellant heeft teruggevorderd. Ook heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat geen sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.

Conclusie en gevolgen

5. Aangezien het Uwv in hoger beroep het bedrag van de terugvordering naar beneden heeft bijgesteld, slaagt het hoger beroep. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, evenals bestreden besluit 2, en dat de Raad zelf in de zaak zal voorzien door de terugvordering te bepalen op een bedrag van € 2.712,82 netto.
6. Er is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Het Uwv zal het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht moeten vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 juni 2024;
- herroept het besluit van 30 juni 2022 en bepaalt dat appellant aan het Uwv een bedrag van € 2.712,82 netto moet terugbetalen;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) H. de Brabander

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 61 Wet Pro WIA
1. De loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering bedraagt per kalendermaand:
a. 0,75 x (A-B x C/D) over de eerste twee maanden waarin het recht op uitkering bestaat; en
b. 0,7 x (A-B x C/D) vanaf de derde maand waarin het recht op uitkering bestaat. Hierbij staat:
- A voor het maandloon;
- B voor het inkomen per kalendermaand;
- C voor het dagloon waarnaar de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is berekend;
- D voor het dagloon waarnaar de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
2. De hoogte van de loonaanvullingsuitkering van de WIA-uitkering komt overeen met de hoogte van de loongerelateerde uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, indien de verzekerde ten minste zijn overblijvende verdiencapaciteit als bedoeld in het derde lid benut of indien voor hem geen inkomenseis als bedoeld in artikel 60 geldt Pro.
Artikel 77 Wet Pro WIA
1. Een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door Pro het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd.
[…]
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
[…]

Voetnoten

1.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.