Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:435

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
24/1060 POL
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54a BarpArt. 3 RvbpArt. 4 RvbpArt. 5 RvbpWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvullend smartengeld wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid bij politieambtenaar met PTSS

Appellant, een politieambtenaar die in 2005 tijdens zijn werk een PTSS heeft opgelopen, kreeg in 2017 smartengeld toegekend op basis van een blijvende invaliditeit van 10%. In 2023 vroeg hij aanvullend smartengeld aan wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid, maar dit verzoek werd door de korpschef afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de regeling een eenmalige beoordeling en toekenning van smartengeld beoogt, waardoor een tweede aanvraag niet mogelijk is.

Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die de zaak op 4 maart 2026 behandelde. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de systematiek van de Regeling vergoeding beroepsziekten politie (Rvbp) geen ruimte laat voor een nieuwe, zelfstandige aanvraag op basis van later ingetreden arbeidsongeschiktheid. De eerdere beoordeling en toekenning van smartengeld sluiten een aanvullende uitkering uit.

De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door voorzitter L.M. Tobé en leden K.H. Sanders en B. Serno op 15 april 2026.

Uitkomst: Het verzoek om aanvullend smartengeld wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1060 POL
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2024, 23/3146 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Korpschef van Politie (korpschef)
Datum uitspraak: 15 april 2026

SAMENVATTING

Appellant heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden een PTSS opgelopen. In verband daarmee is hem in 2017 smartengeld toegekend op basis van blijvende invaliditeit. In 2023 heeft appellant een aanvraag ingediend om een aanvullend bedrag aan smartengeld wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid. Die aanvraag is afgewezen. De Raad oordeelt dat die afwijzing in dit geval terecht is, gelet op de inhoud en systematiek van de toepasselijke regeling.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens de korpschef heeft mr. I.G.J. van den Broek, advocaat, een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Appellant is verschenen, samen met zijn echtgenote en bijgestaan door mr. Van der Wal. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van den Broek.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Op 1 april 2025 is het Besluit beroepsgerelateerde gezondheidsklachten politie (Besluit) [1] in werking getreden, waarbij onder meer het stelsel voor beroepsziekten, beroepsincidenten en dienstongevallen op grond van het Barp [2] is gewijzigd. In deze zaak is het Barp van toepassing zoals dat gold vóór inwerkingtreding van het Besluit.
2. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
2.1.
Appellant is op 1 januari 1986 in dienst getreden bij de politie. In 2005 heeft hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden in de executieve dienst een incident meegemaakt. Als gevolg hiervan heeft appellant een PTSS [3] opgelopen. Na een periode van re-integratie heeft hij op enig moment zijn werkzaamheden hervat.
2.2.
Appellant heeft de korpschef op 1 december 2014 verzocht de PTSS aan te merken als een beroepsziekte. [4] Naar aanleiding daarvan heeft de Adviescommissie PTSS Politie op 17 mei 2016 een advies uitgebracht. De korpschef heeft de PTSS met een besluit van 7 juni 2016 als beroepsziekte aangemerkt.
2.3.
Met een besluit van 30 januari 2017 heeft de korpschef appellant op grond van artikel 54a van het Barp (oud) smartengeld toegekend tot een bedrag van € 15.000,- (netto). De hoogte van het smartengeld is gebaseerd op een mate van blijvende invaliditeit van 10%.
2.4.
Op 8 december 2021 is appellant opnieuw uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft met een besluit van 27 maart 2023 aan appellant met ingang van 16 april 2023 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een IVA [5] -uitkering toegekend.
2.5.
Op 12 april 2023 heeft appellant de korpschef verzocht hem aanvullend smartengeld toe te kennen, nu wegens arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 4 van Pro de Rvbp [6] . Met een besluit van 1 juni 2023 (bestreden besluit) heeft de korpschef dit verzoek afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellant rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daarmee dat besluit in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank vooropgesteld dat in het bijzonder de vraag voorligt of appellant, nadat hij op grond van blijvende invaliditeit zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de Rvbp een smartengeldvergoeding heeft gekregen, nu op grond van arbeidsongeschiktheid aanspraak kan maken op smartengeld op grond van artikel 4 van Pro de Rvbp. Die vraag heeft de rechtbank ontkennend beantwoord. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de Raad in een uitspraak van 9 augustus 2018 [7] een algemene uitleg heeft gegeven van het systeem van de Rvbp, die naar het oordeel van de rechtbank ook toepasbaar is op de situatie van appellant. Het systeem voorziet in een eenmalige beoordeling van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid en in toekenning van een daarop gebaseerde eenmalige smartengelduitkering. Hebben die beoordeling en toekenning eenmaal plaatsgevonden, dan is de zaak afgedaan. Later ingetreden omstandigheden, of die nu ten voordele of ten nadele van de betrokkene werken, kunnen dat niet anders maken.
Het standpunt van appellant
4. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
De Raad volgt de rechtbank in haar hiervoor weergegeven conclusie dat er, gelet op de inhoud en systematiek van de Rvbp, [8] in de gegeven omstandigheden geen ruimte is voor toekenning van een aanvullend bedrag aan smartengeld. Daarbij is van belang dat ten tijde van de aanvraag van 12 april 2023 de eerdere beoordeling met het besluit van 30 januari 2017 al was afgerond. Ten tijde van die eerdere beoordeling was nog geen sprake van arbeidsongeschiktheid. Anders dan appellant heeft betoogd, voorziet de Rvbp er niet in dat in een geval als dit nog een nieuwe, zelfstandige, aanvraag om smartengeld kan worden ingediend, ditmaal op basis van de veel later ingetreden arbeidsongeschiktheid. De artikelen 3 en 4 van de Rvbp moeten in onderlinge samenhang worden bezien en ook in samenhang met artikel 5, eerste lid, van de Rvbp. Heeft de toekenning van smartengeld eenmaal plaatsgevonden dan is de zaak daarmee afgedaan.
Conclusie en gevolgen
5.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering om een aanvullend bedrag aan smartengeld toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.

(getekend) L. Tobé

(getekend) N. Gios

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Besluit algemene rechtspositie politie
Artikel 54a (zoals dat luidde van 1 januari 2023 tot 1 januari 2024)
1. In geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, wordt aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag van € 197.850.
(…)
4. Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de toekenning van de uitkering, bedoeld in het eerste lid.
(…)
Regeling vergoeding beroepsziekten politie (per 1 april 2025 ingetrokken)
Artikel 3
1. Het bevoegd gezag wijst een onafhankelijke deskundige aan die de als gevolg van de beroepsziekte ontstane mate van invaliditeit van de ambtenaar, uitgedrukt in procenten, vaststelt aan de hand van de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment van de American Medical Association. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de toestand van de ambtenaar niet meer zal verbeteren of verslechteren. Uiterlijk drie jaar na de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, bedoelde melding bij het bevoegd gezag wordt langs objectief medische weg getoetst of sprake is van een dergelijke eindsituatie, dan wel of die eindsituatie binnen redelijke termijn kan worden bereikt. Indien dat het geval is, wordt de termijn van drie jaar éénmalig met ten hoogste twee jaar verlengd. Indien er na drie jaar geen zicht is op het binnen redelijke termijn bereiken van een eindsituatie, dan wel wanneer die na vijf jaar nog niet is bereikt, wordt de mate van invaliditeit naar de stand van zaken van dat moment vastgesteld.
2. Het smartengeld is gelijk aan het in het eerste lid bedoelde percentage invaliditeit, vermenigvuldigd met het in artikel 54a, eerste lid, van het besluit genoemde bedrag. Indien op grond van artikel 4 een Pro hoger uitkeringspercentage wordt vastgesteld, is het smartengeld gelijk aan dat percentage van het in artikel 54a, eerste lid van het besluit genoemde bedrag. Het smartengeld zal per aanvraag nooit meer kunnen bedragen dan het in artikel 54a, eerste lid, van het besluit genoemde bedrag.
3. Indien naar aanleiding van één of meer incidenten een ambtenaar beroep doet op uitkering van smartengeld op grond van zowel deze regeling als de Regeling smartengeld dienstongevallen politie, bedraagt het totale smartengeld niet meer dan het in artikel 54a, eerste lid, genoemde bedrag.
Artikel 4
1. Indien op grond van artikel 3, eerste lid, een percentage is vastgesteld en de beroepsziekte tevens heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid wordt een tweede percentage vastgesteld, tenzij de ambtenaar het bevoegd gezag binnen zes weken schriftelijk verzoekt niet tot vaststelling daarvan over te gaan.
2. Het bevoegd gezag wijst een onafhankelijke deskundige aan die het tweede percentage vaststelt aan de hand van de in het derde lid opgenomen tabel. Daarbij wordt uitgegaan van de mate van arbeidsongeschiktheid zoals bepaald door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in artikel 30, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de mate van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de opgedane beroepsziekte niet meer zal toenemen of afnemen. Uiterlijk drie jaar na de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, bedoelde melding bij het bevoegd gezag wordt langs objectief medische weg getoetst of sprake is van een dergelijke eindsituatie, dan wel of die eindsituatie binnen redelijke termijn kan worden bereikt. Indien dat het geval is, wordt de termijn van drie jaar met ten hoogste twee jaar verlengd. Indien er na drie jaar geen zicht is op het binnen redelijke termijn bereiken van een eindsituatie, dan wel wanneer die na vijf jaar nog niet is bereikt, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid naar de stand van zaken van dat moment vastgesteld.
3. Het tweede percentage wordt vastgesteld overeenkomstig onderstaande tabel:
(…)
Artikel 5
1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde melding geldt als aanvraag tot toekenning van smartengeld.
(…)

Voetnoten

1.1 Staatsblad 2024, 328.
2.Besluit algemene rechtspositie politie.
3.3 Posttraumatische stressstoornis.
4.4 Als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub y, van het Barp (oud).
5.5 Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.
6.6 Regeling vergoeding beroepsziekten politie.
8.8 Zoals ook beschreven in CRvB 9 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2477.