ECLI:NL:CRVB:2026:435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- L.M. Tobé
- K.H. Sanders
- B. Serno
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvullend smartengeld wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid bij politieambtenaar met PTSS
Appellant, een politieambtenaar die in 2005 een PTSS opliep tijdens zijn werkzaamheden, ontving in 2017 smartengeld op basis van een vastgestelde blijvende invaliditeit van 10%. In 2023 vroeg hij aanvullend smartengeld aan wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid, maar dit verzoek werd door de korpschef afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de regeling een eenmalige beoordeling en toekenning van smartengeld beoogt, waardoor een tweede aanvraag niet mogelijk is.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad benadrukte dat de Regeling vergoeding beroepsziekten politie (Rvbp) en het Barp (oud) in samenhang moeten worden gelezen en dat de eerdere toekenning van smartengeld de zaak afdoet. Later ingetreden arbeidsongeschiktheid biedt geen grond voor een nieuwe, zelfstandige aanvraag. De Raad wees het beroep af en liet het bestreden besluit in stand.
De Raad wees tevens op de systematiek van de regeling, waarin een onafhankelijke deskundige de mate van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid vaststelt en een eenmalige uitkering wordt toegekend. Omdat het hoger beroep niet slaagde, kreeg appellant geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het verzoek om aanvullend smartengeld wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid wordt afgewezen omdat de regeling een eenmalige beoordeling en toekenning van smartengeld voorziet.