Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:441

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
24/164 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzaam arbeidsvermogen

Appellante, geboren in 1997, vroeg aanvankelijk in 2014 een Wajong-uitkering aan vanwege hersenletsel na een aanrijding in 2011. Het UWV wees dit in 2015 af omdat zij op haar achttiende verjaardag over arbeidsvermogen beschikte. Een tweede aanvraag in 2019 werd eveneens afgewezen, omdat geen sprake was van nieuwe feiten of duurzame toename van beperkingen.

De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het UWV terecht niet terugkwam op het eerdere besluit en dat appellante op de datum van haar tweede aanvraag niet voldeed aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering. Deskundigenrapporten bevestigden dat appellante, behoudens periodes van opname, over arbeidsvermogen beschikte.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar problematiek en dat nieuwe medische inzichten tot een ander oordeel moesten leiden. De Raad volgde dit niet en onderschreef de deskundigenrapporten die het standpunt van het UWV bevestigen. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering tot toekenning van de Wajong-uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om een Wajong-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/164 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 december 2023, 20/1113 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft beslist dat geen aanleiding bestaat om terug te komen van de weigering om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen, en dat geen aanleiding bestaat om aan appellante in verband met een toename van beperkingen binnen vijf jaar na het achttiende jaar een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante is onvoldoende rekening gehouden met haar problematiek. De Raad volgt dit standpunt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van eerdere besluitvorming en haar verzoek om toekenning van een Wajong-uitkering in verband met toegenomen beperkingen mocht afwijzen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. Pronk hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.
Bij brief van 13 mei 2025 heeft de Raad de door de rechtbank geraadpleegde deskundige, psychiater dr. J.A. Bouwens gevraagd om te reageren op de reacties van partijen op diens rapport.
Bij rapport van 2 oktober 2025 heeft dr. Bouwens gereageerd.
Bij brieven van 16 december 2025, 8 en 26 januari 2026 heeft [gemachtigde] , kantoorgenoot van mr. Pronk, namens appellante op het rapport van Bouwens van 2 oktober 2025 gereageerd. Het Uwv heeft bij brief van 16 februari 2026 zijn zienswijze gegeven.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Namens appellante is haar vader verschenen, [naam vader] , bijgestaan door [gemachtigde] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1997, heeft met een door het Uwv op 9 september 2014 ontvangen formulier, een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante als gevolg van een aanrijding met een bus in 2011 hersenletsel heeft opgelopen, waardoor zij last heeft van concentratiestoornissen en linkeroogklachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv de aanvraag van appellante bij besluit van 20 mei 2015 afgewezen, omdat zij op haar achttiende verjaardag ( [geboortedatum] 2015) beschikt over arbeidsvermogen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2.
Met een door het Uwv op 12 september 2019 ontvangen formulier ‘Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen’ heeft appellante opnieuw een aanvraag voor een Wajonguitkering gedaan. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 20 mei 2015. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Het Uwv heeft naar aanleiding hiervan bij besluit van 12 december 2019 geweigerd terug te komen van het besluit van 20 mei 2015.
1.3.
Bij besluit van 3 maart 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt tot de conclusie dat binnen vijf jaar na de achttiende verjaardag sprake is van toegenomen beperkingen voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak. Van 20 februari tot 25 april 2018 beschikt appellante in verband met een opname in een revalidatiekliniek niet over arbeidsvermogen. Er is echter geen sprake van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Per 1 januari 2019 zijn er volgens het Uwv weliswaar toegenomen beperkingen die voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak, maar appellante is wel in staat één uur aaneengesloten te werken en vier uur per dag activiteiten te vervullen. Vanaf 1 mei 2019 en ook op de datum van de tweede aanvraag (12 september 2019) ontbreekt het arbeidsvermogen, maar alleen voor de duur van de behandeling bij Altrecht, zodat deze situatie niet duurzaam is.
1.4.
In beroep heeft appellante een expertise-rapport van 10 augustus 2021 in geding gebracht van een multidisciplinair onderzoek door psychiater dr. A.J.W.M Trompenaars en orthopedagoog en gedragswetenschapper E. van der Zee. Uit het testpsychologisch onderzoek komt naar voren dat bij appellante sprake is van een combinatie van een autisme spectrum stoornis (ASS) en een ernstig depressief beeld, met aanwijzingen van een zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis. Aan Trompenaars is gevraagd naar de medische situatie op twee data, namelijk [geboortedatum] 2015 (het achttiende jaar) en 20 februari 2018, de datum van opname in revalidatiekliniek Klimmendaal. Op beide data is volgens Trompenaars sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Appellante heeft volgens Trompenaars door haar beperkingen geen arbeidsvermogen omdat zij niet beschikt over werknemersvaardigheden, geen taak kan uitvoeren, niet een uur aaneengesloten kan werken en ook niet vier uur per dag belastbaar is.
Tussenuitspraak van de rechtbank
2. Bij tussenuitspraak van 29 april 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv op juiste gronden geen aanleiding heeft gezien om terug te komen van het eerdere besluit van 20 mei 2016 (lees: 2015). Het complex van klachten dat hoort bij ASS was bekend en is destijds door de verzekeringsarts betrokken bij de vraag of appellante recht had op een Wajong-uitkering. Het enkele feit dat aan het klachtencomplex naderhand de diagnose van ASS is gekoppeld kan volgens de rechtbank niet als een nieuw feit of omstandigheid worden aangemerkt op grond waarvan van die eerdere beoordeling zou moeten worden teruggekomen. Over de mogelijke aanspraken van appellante per datum aanvraag 12 september 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom (kortgezegd) appellante buiten de periodes van opname wél in staat is een uur aaneengesloten te werken en gedurende ten minste vier uur per dag belastbaar is.
2.1.
Bij rapport van 27 mei 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader gemotiveerd waarom appellante – behoudens de periodes van opname – beschikte over arbeidsvermogen.
2.2.
Op verzoek van de rechtbank hebben psychiater dr. J.A. Bouwens en verzekeringsarts drs. M. Vervoort op 26 juli 2023 als deskundigen rapport uitgebracht. Deskundige Bouwens komt tot de conclusie dat appellante beperkingen heeft in de energie vanwege de vermoeidheid en onderliggende psychiatrische problematiek. Er zijn beperkingen op cognitief gebied waardoor appellante beperkt is voor zelfstandig en doelmatig handelen. Verder zijn er beperkingen voor stress en omgaan met complexe sociale situaties. Er is volgens de deskundige echter geen sprake van duurzaamheid omdat er nog realistische behandelmogelijkheden zijn voor de somatische symptoomstoornis, impulscontrole en emotieregulatie, en voor de ASS (woon)begeleiding mogelijk is. Deskundige Vervoort heeft geen reden gezien om aan te nemen dat appellante op de data in geding niet één uur aaneengesloten kan werken of ten minste vier uur per dag belastbaar is. Verder leidt deskundige Vervoort uit de omstandigheid, dat appellante in staat is taken uit te voeren die ingekaderd zijn, zoals koken, boodschappen doen of opruimen van de keuken, af dat appellante over werknemersvaardigheden beschikt.
2.3.
Appellante heeft als reactie op het rapport in een brief van 14 september 2023 diverse vragen geformuleerd en heeft aan de rechtbank verzocht die vragen aan de deskundigen voor te leggen.
Uitspraak van de rechtbank
2.4.1
Waar het betreft de weigering van het Uwv om terug te komen van het eerdere besluit van 20 mei 2015, heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten onder verwijzing naar wat in de tussenuitspraak is overwogen. Waar het betreft de aanspraken van appellante per datum aanvraag (12 september 2019) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand gelaten. Verder heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in vergoeding van de proceskosten, de kosten van het raadplegen van deskundige Trompenaars en het griffierecht.
2.4.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv met het aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 mei 2022 het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek heeft hersteld. De rechtbank heeft voorts de door haar ingeschakelde deskundigen Bouwens en Vervoort gevolgd, die in hun gecombineerd rapport van 26 juli 2023 de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben onderschreven. De reactie van appellante van 14 september 2023 geeft de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. Omdat appellante in die reactie niet heeft gewezen op onjuistheden of inconsistenties in het deskundigenrapport, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om die reactie nog aan de deskundigen voor te leggen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het Uwv geen aanleiding heeft hoeven zien om terug te komen van het eerdere besluit van 20 mei 2015. De rechtbank heeft volgens appellante eveneens ten onrechte geoordeeld dat appellante op 12 september 2019, de datum van haar tweede aanvraag, niet voldeed aan de voorwaarden voor een Wajonguitkering. Ter onderbouwing heeft appellante verwezen naar een reactie van Trompenaars van 29 maart 2024, waarin deze reageert op het rapport van de deskundigen. Appellante stelt ook dat de brief van 14 september 2023 ten onrechte niet meer aan de deskundigen is voorgelegd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 maart 2024.

Het oordeel van de Raad

5. In geding is het oordeel van de rechtbank over de vraag of het Uwv de aanvraag van 12 september 2019 terecht heeft afgewezen. Die aanvraag hield enerzijds een verzoek in om terug te komen van het besluit van 20 mei 2015, waarbij de Wajong-aanvraag die zag op het achttiende jaar van appellante ( [geboortedatum] 2015) is afgewezen. Anderzijds betrof de aanvraag een verzoek om toekenning van een Wajong-uitkering per 12 september 2019 in verband met sinds het achttiende jaar toegenomen beperkingen. De Raad beoordeelt de aangevallen uitspraak aan de hand van wat appellante in hoger beroep daartegen heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en overweegt daartoe als volgt.
Het verzoek om terug te komen van het besluit van 20 mei 2015
5.1.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank in de tussenuitspraak en maakt die tot de zijne. De Raad voegt daar aan toe dat het – eerst in beroep overgelegde – rapport van psychiater Trompenaars, waarin deze – anders dan de verzekeringsartsen van het Uwv – bij appellante op achttienjarige leeftijd geen benutbare mogelijkheden aanwezig acht, niet als een nieuw feit of veranderde omstandigheid valt aan te merken. Het betreft hier veeleer een andere inschatting van de klachten en beperkingen van appellante, die destijds door de verzekeringsarts van het Uwv zijn gezien en beoordeeld. In wat appellante heeft aangevoerd, wordt evenmin aanleiding gezien om te oordelen dat de weigering om van het besluit van 20 mei 2015 terug te komen, evident onredelijk is.
De Wajong-aanspraken per 12 september 2019
5.2.
Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijk door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. [1] De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze situatie zich voordeed. Het gecombineerde rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundigen Bouwens en Vervoort van 26 juli 2023 geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundigen hebben dossierstudie verricht en appellante beiden op een spreekuur gezien. In het rapport hebben de deskundigen kenbaar de over appellante aanwezige medische gegevens bij hun beoordeling betrokken.
5.3.
De deskundigen hebben op basis van hun gezamenlijke onderzoek het standpunt van het Uwv onderschreven, dat appellante, behoudens in de periodes van opname (te weten: 20 februari 2018 tot 25 april 2018, vanaf 14 mei 2019 en ook op de datum van ontvangst van haar tweede aanvraag, 12 september 2019), beschikte over arbeidsvermogen, zodat op 12 september 2019 van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen geen sprake is. Ook na kennisneming van de reacties van appellante en van psychiater Trompenaars in hoger beroep, heeft de deskundige Bouwens zijn eerdere conclusie op dit punt in een rapport van 2 oktober 2025 gemotiveerd gehandhaafd.
5.4.
Het standpunt van appellante, dat de conclusies van deskundige Vervoort niet logischerwijs volgen uit de bevindingen van psychiater Bouwens, volgt de Raad niet. Bouwens en Vervoort hebben een gecombineerd rapport uitgebracht en hebben elk vanuit hun eigen deskundigheid antwoord gegeven op de door de rechtbank gestelde vragen. In hoger beroep heeft deskundige Bouwens nogmaals op de afwijkende zienswijze van Trompenaars gereageerd, waarbij hij zijn eerdere bevindingen en conclusies gemotiveerd heeft gehandhaafd. Van inconsistenties hierin is niet gebleken.
5.5.
Het door appellante in hoger beroep overgelegd rapport van gedragsdeskundige orthopedagoog M. Verhaar en de informatie van de huisarts van 10 december 2025 doen aan het voorgaande niet af. Daaruit blijkt dat inmiddels sprake is van begeleid wonen en dat het onwaarschijnlijk wordt geacht dat verbetering van de belastbaarheid van appellante nog zal plaatsvinden. De Raad onderschrijft het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat dit geen nieuwe medische gegevens betreft die zien op de vraag of appellante jonggehandicapte was op het achttiende jaar ( [geboortedatum] 2015) of ten tijde van haar tweede aanvraag (12 september 2019).
5.6.
Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat er geen aanleiding is om terug te komen van het besluit van 20 mei 2015. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat appellante op de datum van haar tweede aanvraag (12 september 2019) niet voldeed aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4287.