Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:455

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
24/1214 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep WIA

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg inzake een WIA-zaak. Tijdens de procedure is afgesproken dat appellant nadere medische informatie zou aanleveren en dat het UWV een afspraak zou regelen voor een verzekeringsarts. Later heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenveroordeling tegen het UWV, omdat hij een ernstige inbreuk op zijn rechten ervaart en niet langer aan de procedure wenst deel te nemen.

De Raad heeft vastgesteld dat het hoger beroep niet is ingetrokken vanwege een gewijzigde beslissing waarbij geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen, zoals vereist in artikel 8:75a van de Awb. Daarom is het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen. De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak waarin de situatie anders was omdat daar geen sprake was van intrekking.

De zaak is niet op een nadere zitting behandeld omdat partijen daarmee instemden. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat het hoger beroep niet is ingetrokken vanwege tegemoetkoming door het bestuursorgaan.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1214 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 april 2024, 22/2401 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 april 2026
.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.E.J. Dohmen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van de meervoudige kamer van 15 mei 2025. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dohmen. Voor het Uwv is P.J.L.H. Coenen verschenen.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Afgesproken is dat de gemachtigde van appellant nadere medische informatie ter kennis zou brengen van het Uwv en dat het Uwv ervoor zou zorgen dat appellant een afspraak krijgt voor het spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Met een brief van 16 oktober 2025, met bijlagen, heeft het Uwv de Raad geïnformeerd over de voortgang met betrekking tot de ter zitting gemaakte afspraken. De Raad heeft appellant om een reactie gevraagd.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Als reden voor de intrekking van zijn hoger beroep heeft appellant gegeven dat hij een ernstige inbreuk op zijn rechten ervaart en niet langer wenst deel te nemen aan verdere procedures. Appellant wenst met rust te worden gelaten.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend naar aanleiding van het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Appellant heeft daarop gereageerd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een nadere zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nadere zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant niet is ingetrokken als gevolg van een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Het verzoek om een proceskostenveroordeling dient dan ook te worden afgewezen, omdat geen sprake is van een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. De verwijzing door appellant naar de uitspraak van de Raad van 7 oktober 2021 [1] treft geen doel. In de zaak waar die uitspraak over gaat, was geen sprake van een intrekking van het hoger beroep en is de situatie dus anders dan in de zaak van appellant.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.CRvB 7 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2541.