Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:463

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
23/1579 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens verdiencapaciteit boven 65 procent

Appellant was ziekgemeld met psychische klachten en ontving vanaf juni 2020 een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars ZW-beoordeling concludeerde het UWV dat appellant meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon kan verdienen in passende functies, waarop de ZW-uitkering per 22 juni 2021 werd beëindigd.

Appellant voerde aan dat hij door zijn medische beperkingen niet in staat was passende functies te verrichten en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was. De rechtbank oordeelde echter dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en overtuigend was uitgevoerd, en dat de geselecteerde functies passend waren.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en overhandigde een expertiserapport, maar de Raad volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV. De Raad vond geen aanleiding om het medisch oordeel te betwijfelen of een onafhankelijke deskundige te benoemen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de beëindiging van de ZW-uitkering en wees het hoger beroep af, met als gevolg dat appellant geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering per 22 juni 2021 omdat appellant meer dan 65% van zijn vroegere loon kan verdienen.

Uitspraak

23/1579 ZW
Datum uitspraak: 15 april 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 maart 2023, 22/276 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 22 juni 2021 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat om passende functies te verrichten zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Schutrups, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingebracht. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Mr. R.J. Hoogeveen, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hoogeveen en zijn partner. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeijer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als service engineer voor 39,77 uur per week. Op 17 juli 2020 heeft hij zich vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving met terugwerkende kracht vanaf 22 mei 2020 ziekgemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant vanaf 18 juni 2020 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een telefonisch spreekuur plaatsgevonden met een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 april 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 4 mei 2021 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 22 juni 2021 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.2.
Bij besluit van 26 november 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennisgenomen van het dossier en appellant gezien en onderzocht op een spreekuur. Alle naar voren gebrachte klachten zijn op een zorgvuldig en duidelijke manier bij de medische beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep hoefde geen informatie bij de huisarts op te vragen. Er is voldoende informatie in het dossier aanwezig en er zijn geen aanwijzingen dat er medische feiten zijn gemist.
2.2.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat de medische belastbaarheid op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden is gemotiveerd. Er zijn ruime beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren op basis van de klachten en behandelingen van appellant. Uit het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Appellant heeft naast medicatie geen behandelingen bij een psycholoog of psychiater. Verdergaande beperkingen worden niet onderbouwd met medische stukken. De in beroep overgelegde informatie van de huisarts heeft de rechtbank onvoldoende geacht om anders te oordelen. De brief is van ruim na de beëindiging van de ZW-uitkering en de daarin beschreven medicatie en angststoornis zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep al betrokken in de beoordeling. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat een urenbeperking niet is onderbouwd met medisch objectiveerbare feiten. Dat geldt ook voor de stelling van appellant dat hij niet tot arbeid in staat is. Omdat de rechtbank geen reden heeft om aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen heeft zij geen aanleiding gezien om een onafhankelijk deskundige te benoemen, zoals appellant heeft verzocht.
2.3.
Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige in haar rapport en het resultaat functiebeoordeling van 3 mei 2021 voldoende heeft uitgelegd waarom de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn. De stelling van appellant dat zijn belastbaarheid in de functies assembleerder installatie, motoren, voertuigen (SBCcode 265110) en wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053) wordt overschreden op het aspect deadlines en productiepieken heeft de rechtbank niet gevolgd. In die functies is dit aspect immers geen kenmerkende belasting.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig is geweest en dat er ten onrechte geen informatie bij de behandelend sector is opgevraagd. Verder heeft appellant aangevoerd dat zijn medische beperkingen onjuist zijn vastgesteld en dat zijn belastbaarheid in de geselecteerde functies wordt overschreden. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij een expertiserapport van Ergatis van verzekeringsarts R. Ouwens en psychiater I.F.F.M. Elzakkers overgelegd. Appellant heeft verzocht om inschakeling van een onafhankelijke deskundige.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 november 2025, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten. Dit doet hij aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. [1]
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep al naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag zijn gelegd worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
De inhoud van het door appellant in hoger beroep ingebrachte expertiserapport van Ergatis van verzekeringsarts Ouwens en psychiater Elzakkers geeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 19 november 2025 overwogen dat de psychiatrische expertise zorgvuldig en volledig is, maar niet kan worden geëxtraheerd naar de datum in geding, 22 juni 2021. Er is sprake van een verslechtering van de medische gesteldheid van appellant en verzekeringsgeneeskundig is het standpunt van het Uwv op de datum in geding niet betwist. Verzekeringsarts Ouwens heeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht aangegeven dat de geclaimde beperkingen, in de eigen aangevoerde FML door appellant, niet te verdedigen zijn voor de datum in geding. Deze motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden gevolgd.
4.4.
Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering per 22 juni 2021 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) G.T. Hunsel

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.