ECLI:NL:CRVB:2026:487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid ondanks PTSS en emotie-regulatieproblemen
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met psychische klachten, maar het UWV weigerde deze omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant stelde dat hij meer medische beperkingen had, waaronder PTSS en een emotie-regulatiestoornis, en kon daardoor de geselecteerde functies niet vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling van het UWV, inclusief aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), voldoende rekening hield met de beperkingen van appellant. De rechtbank vond dat de medische informatie en wetenschappelijke stukken geen aanleiding gaven tot een ander oordeel.
In hoger beroep benoemde de Raad een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die na dossieronderzoek concludeerde dat de FML van 11 mei 2022 een juiste weergave is van de beperkingen en dat er geen medische grond is voor een urenbeperking. De Raad volgde deze deskundige en oordeelde dat de gedragingen van appellant, zoals woede-uitbarstingen en vernielingen, geen medische beperkingen zijn maar gedragingen die in de beoordeling zijn meegenomen.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht geen WIA-uitkering toekent omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De medische problematiek is erkend en vertaald in passende beperkingen, maar binnen een beschermde werkomgeving kan appellant functioneren. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen WIA-uitkering krijgt omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.