ECLI:NL:CRVB:2026:50
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering van Wajong-uitkering en herbeoordeling arbeidsvermogen
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de weigering van een Wajong-uitkering aan appellante. Appellante had eerder een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die op 23 mei 2023 door het Uwv was afgewezen, omdat zij volgens het Uwv niet over arbeidsvermogen beschikte, maar deze situatie niet duurzaam was. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 17 september 2023 diende zij een nieuwe aanvraag in, waarbij zij aangaf dat er naast bestaande medische beperkingen een nieuwe diagnose was gesteld, namelijk de ziekte van Crohn. Het Uwv weigerde echter de aanvraag in behandeling te nemen, omdat er al een besluit was genomen. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het Uwv verklaarde dit bezwaar ongegrond.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat het Uwv bevoegd was om de herhaalde aanvraag inhoudelijk te beoordelen en dat er geen reden was om aan de medische beoordeling van het Uwv te twijfelen. Appellante was het niet eens met deze uitspraak en heeft hoger beroep ingesteld. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting op 11 december 2025, waarbij zowel appellante als het Uwv via beeldbellen aanwezig waren.
De Raad heeft geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat appellante op de relevante data over arbeidsvermogen beschikte en dat het Uwv terecht de Wajong-uitkering heeft geweigerd. De Raad heeft de gronden van appellante in hoger beroep niet gevolgd en bevestigd dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht, omdat het hoger beroep niet slaagt.