Appellante ontving sinds 2012 een WIA-uitkering vanwege volledige arbeidsongeschiktheid. In 2020 heeft het UWV een herbeoordeling uitgevoerd, waarbij is vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht meer heeft op een WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en stelde dat het UWV zich had moeten beperken tot het aspect duurzaamheid en geen volledige herbeoordeling had mogen doen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
De Raad overweegt dat het UWV zowel een verzekeringsgeneeskundig als een arbeidskundig onderzoek heeft uitgevoerd, waarbij rekening is gehouden met medische beperkingen en passende functies zijn geselecteerd. De Raad wijst erop dat het UWV niet verplicht is om een eerdere beoordeling te motiveren bij afwijkingen en dat het ontbreken van het medische rapport uit 2012 de zorgvuldigheid niet aantast.
Verder heeft het UWV de medische informatie van de behandelende sector betrokken in de beoordeling, waaronder een brief van de huisarts. De Raad verwerpt het standpunt van appellante dat de zorg voor haar kinderen meegewogen had moeten worden, omdat zorgtaken geen object zijn van de WIA-verzekering. Het hoger beroep wordt afgewezen, de beëindiging van de WIA-uitkering blijft in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.