Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:504

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
21/3916 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 6 EVRMBesluit proceskosten bestuursrechtBesluit tarieven in strafzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na gewijzigde beslissing op bezwaar met deels vergoeding kosten deskundige

Appellante stelde hoger beroep in tegen een besluit van het UWV, waarbij zij tevens een expertiserapport van psychiater Schoutrop overlegde. De Raad benoemde een eigen deskundige, die rapporteerde in september 2025. Na een gewijzigde beslissing op bezwaar van het UWV, waarin volledig aan de bezwaren van appellante werd tegemoetgekomen, trok appellante het hoger beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Raad beoordeelde de gevorderde kosten voor rechtsbijstand, reiskosten en deskundigenkosten. De kosten van rechtsbijstand werden deels toegekend, waarbij reiskosten voor de zitting niet werden vergoed omdat appellante niet aanwezig was. De vergoeding voor de deskundige Schoutrop werd gedeeltelijk toegekend, waarbij secretariële werkzaamheden werden uitgesloten. Ook de tolkvergoeding werd deels toegekend. Daarnaast werden redelijke reiskosten voor het bezoek aan de deskundige Hernandez-Dwarkasing en het griffierecht vergoed.

Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn oordeelde de Raad dat de totale procedure van ruim zes jaar de redelijke termijn met ruim twee jaar overschreed. Dit leidde tot een immateriële schadevergoeding van €3.000,- aan appellante. De Staat werd tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in verband met dit verzoek.

De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van €5.616,32 aan proceskosten, de Staat tot betaling van €467,- aan proceskosten en €3.000,- aan schadevergoeding, en het UWV tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €181,-. De uitspraak werd gedaan door E.W. Akkerman op 29 april 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep werd ingetrokken na gewijzigde beslissing op bezwaar, met gedeeltelijke vergoeding van proceskosten en deskundigenkosten en een schadevergoeding van €3.000,- wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
21/3916 ZW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 september 2021, 19/2146 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[ex-werkgever B.V.] . (ex-werkgever)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 29 april 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. van Etten, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en stukken ingestuurd.
De ex-werkgever heeft als derde-belanghebbende deelgenomen.
Appellante heeft een expertiserapport van psychiater J.L.M. Schoutrop van 29 september 2023 ingestuurd.
De Raad heeft psychiater I.S. Hernandez-Dwarkasing benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 3 september 2025 gerapporteerd.
Appellante heeft haar zienswijze gegeven op het rapport.
Het Uwv heeft op 14 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Vervolgens heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep. Het Uwv heeft daarop gereageerd.
Daarnaast heeft appellante de Raad verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband daarmee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig acht en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna meegedeeld geen zitting te wensen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
1.2.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 oktober 2025 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Proceskosten
2.1.
Appellante heeft verzocht om vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand, reiskosten in verband met de mondelinge behandeling bij de rechtbank en de reiskosten van het bezoek aan de deskundige psychiater Hernandez-Dwarkasing en de kosten van de door psychiater Schoutrop verrichte expertise (waaronder kosten tolk).
Rechtsbijstand en reiskosten zitting rechtbank.
2.2.
De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 934,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, een 0,5 punt voor een zienswijze en tweemaal een 0,5 punt voor het indienen van een reactie, met een waarde per punt van € 934,-). In beroep heeft appellante de zitting bij de rechtbank niet bijgewoond. De gevraagde vergoeding van kosten in verband met de daarmee gemaakte reiskosten worden dan ook niet vergoed.
Vergoeding expertise Schoutrop
2.3.
Appellante heeft in hoger beroep een rapport ingestuurd van psychiater Schoutrop van 29 september 2023. Het Uwv heeft in verweer aangevoerd dat niet alle gevorderde kosten voor vergoeding in aanmerking komen.
2.4.
Voor werkzaamheden van psychiater Schoutrop voor het rapport van 29 september 2023, is verzocht om een vergoeding van € 3.611,85. Daarnaast is gevraagd om vergoeding van € 604,37 voor de kosten van de tolk die tijdens het onderzoek van appellante voor Schoutrop heeft vertaald.
2.5.
De Raad is van oordeel dat de vordering voor kosten van de deskundige slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt. De gevorderde vergoeding voor de secretariële werkzaamheden komen niet voor vergoeding in aanmerking. De Raad berekent de vergoeding voor de werkzaamheden van Schoutrop op grond van artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en het Besluit tarieven in strafzaken (tarief 2023) op € 2.159,09, zijnde 12.5 keer € 142,75 per uur vermeerderd met 21% omzetbelasting.
2.6.
De kosten van de tolk komen slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. Die kosten worden berekend op grond van artikel 2, eerste lid, onder c van het Bpb (tarief 2023). Dat betekent dat wordt vergoed de tolktijd, zijnde 2.5 uur, op basis van € 49,- per uur vermeerderd met 21% omzetbelasting, zijnde € 148,23, vermeerderd met 40 keer € 1,- per gereisde kilometer. In totaal is dat € 188,23.
Vergoeding reiskosten naar deskundige Hernandez
2.7.
De kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken voor het bezoeken van de deskundige worden door de Raad vergoed.
Griffierecht
2.8.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
3.1.
Wat betreft het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wordt het volgende overwogen.
3.2.
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [1] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
3.3.
Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt. [2]
3.4.
In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 14 oktober 2025 bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 13 december 2018 tot aan de bekendmaking van het tegemoetkomend besluit heeft de procedure zes jaar en ruim tien maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en ruim tien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal
€ 3.000,-.
3.5.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn alleen in de rechterlijke fase is overschreden. De staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 3.000,-.
3.6.
Ook is er aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt, met een waarde per punt van
€ 934,- en wegingsfactor 0,5) voor het indienen van het verzoek.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 5.616,32;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.000,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 181,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.