ECLI:NL:CRVB:2026:518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaald WIA-voorschot en vaststelling dagloon
Appellante was werkzaam bij twee werkgevers en meldde zich ziek in 2021 en 2022. Het UWV kende haar een voorschot op de WIA-uitkering toe op basis van een vastgesteld dagloon van €76,29. Later stelde het UWV vast dat appellante een bedrag van €1.452,42 te veel had ontvangen omdat het voorschot niet was verminderd met loondoorbetaling tijdens ziekte door een van haar werkgevers.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV het dagloon juist had berekend op basis van polisadministratiegegevens en dat er geen dringende reden was om van terugvordering af te zien. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het dagloon onjuist was vastgesteld en dat haar psychische situatie en financiële gevolgen een dringende reden vormden om terugvordering te voorkomen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het UWV terecht het dagloon had vastgesteld en dat appellante onvoldoende had aangetoond dat de polisadministratie onjuist was. De Raad benadrukte dat het voorschot een voorlopige schatting is en dat appellante op de hoogte was van mogelijke correcties. De Raad vond dat het UWV alle relevante feiten, inclusief haar eigen aandeel en de financiële situatie van appellante, had meegewogen en dat er geen dringende reden was om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van het onverschuldigd betaalde WIA-voorschot blijft in stand.