Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:527

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
24/1148 MPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 UGMArt. 2 UGMArt. 1 Kaderwet militaire pensioenenArt. A1 Algemene militaire pensioenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek UGM-uitkering voor reservist zonder verplichting tot doorlopende werkelijke dienst

Appellant, een reservist sinds 1988, verzocht om een uitkering op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen (UGM) na zijn leeftijdsontslag in 2022. De staatssecretaris wees dit verzoek af omdat appellant niet voldeed aan de vereiste dat alleen beroepsmilitairen en reservisten met een verplichting tot doorlopende werkelijke dienst recht hebben op een UGM-uitkering.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant niet de verplichting had om doorlopend in werkelijke dienst te zijn, zoals vereist volgens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de UGM. Appellant stelde in hoger beroep dat alleen de wettekst relevant is en dat hij gelijkgesteld moet worden met reservisten met onbepaald of kort verband, maar de Raad volgde dit niet.

De Raad benadrukte dat de wetsgeschiedenis relevant blijft voor de uitleg van de bepalingen en dat de wetgever bewust een strikte afbakening heeft gemaakt. Appellant was niet verplicht tot doorlopende werkelijke dienst en werd slechts opgeroepen na instemming. Het hoger beroep werd verworpen, de afwijzing van de uitkering bleef in stand en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De afwijzing van het verzoek om een UGM-uitkering aan appellant wordt bevestigd omdat hij niet verplicht is tot doorlopende werkelijke dienst als militair.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1148 MPW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 april 2024, 23/3482 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
Datum uitspraak: 23 april 2026

SAMENVATTING

De staatssecretaris heeft geweigerd om appellant een uitkering op grond van de UGM toe te kennen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze weigering stand houdt. Alleen beroepsmilitairen en reservisten met een verplichting tot doorlopende werkelijke dienst als militair komen in aanmerking voor een UGM-uitkering. Appellant is reservist, maar is geen verplichting aangegaan tot doorlopende werkelijke dienst.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.K.H. van Oostveen hoger beroep ingesteld. Namens de staatssecretaris hebben mr. E.I. Dekkers en mr. E.W. Schenck, advocaten, een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Oostveen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A. Bakkum, mr. P.J. Mauser, advocaten, en door F.R.H. van de Hoef, R.T.A. Couwenberg en J. Oliekan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant was sinds 1988 aangesteld als reservist, ingedeeld bij het Korps Nationale Reserve. Hij is in de periode van 10 september 2018 tot 1 juli 2022 meerdere keren opgeroepen in werkelijke dienst. Met ingang van 1 juli 2022 is aan appellant leeftijdsontslag verleend.
1.2.
Appellant heeft op 11 april 2022 verzocht om hem een uitkering toe te kennen op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen (UGM).
1.3.
Met een besluit van 11 juli 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 13 april 2023 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het verzoek van appellant afgewezen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat uit artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de UGM volgt dat de UGM alleen recht op een uitkering geeft bij leeftijdsontslag van een beroepsmilitair in de zin van de Kaderwet militaire pensioenen dan wel aan een reservist in de zin van die wet, voor zover de reservist krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht is tot doorlopende werkelijke dienst als militair. Uit de Memorie van Toelichting bij de Aanpassingswet kaderwet militaire pensioenen [1] volgt dat met deze reservisten alleen zijn bedoeld de reservisten onbepaald verband en kort verband in de zin van de Algemene militaire pensioenwet (Amp), die gold tot 1 januari 2001. Appellant was geen reservist als hiervoor bedoeld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat voor de vraag of appellant voldoet aan het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de UGM ook moet worden gekeken naar de wetsgeschiedenis, waarin is verwezen naar de Amp. In artikel A1, eerste lid, van de Amp werd onderscheid gemaakt tussen reservisten met een onbepaald verband en een kort verband die een verplichting zijn aangegaan om in doorlopende werkelijke dienst te zijn en reservisten die deze verplichting niet zijn aangegaan. De verplichting tot doorlopende werkelijke dienst ziet op de verplichting die in beginsel alleen een beroepsmilitair heeft: deze kan 24 uur per dag, zeven dagen per week een opdracht krijgen. Dat gaat verder dan alleen de gebruikelijke werkzaamheden en kan ook zien op een uitzending of een andere vorm van inzet. Deze verplichting moet worden onderscheiden van de verplichting die appellant heeft om de werkzaamheden te verrichten van de functie waarvoor hij is opgeroepen en die hij als reservist in overeenstemming met de staatssecretaris heeft geaccepteerd. Het is evident dat de wetgever strikt heeft willen zijn in het afbakenen van de aanspraak op een verstrekkende voorziening als de UGM-uitkering. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet de verplichting had om doorlopend in werkelijke dienst te zijn zoals een beroepsmilitair die verplichting heeft. Appellant voldoet niet aan artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de UGM.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit en neemt de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd over. De Raad voegt hier het volgende aan toe.
4.2.
Appellant betoogt dat voor de vraag of hij voldoet aan het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de UGM, alleen naar de tekst van deze bepaling en niet naar de wetsgeschiedenis mag worden gekeken, nu deze verwijst naar reservisten die al dertig jaar niet meer binnen Defensie bestaan. Appellant wordt niet gevolgd in dit betoog. De wetsgeschiedenis is namelijk nog wel relevant voor de uitleg van deze bepaling. Uit de onder 1.3 genoemde Memorie van Toelichting blijkt dat de tekst van deze bepaling in 2001 zo is opgesteld om duidelijk te maken “(…) dat het gaat om een ontslag van een beroepsmilitair of reservist in de zin van de Kaderwet militaire pensioenen, voor zover deze als reservist onbepaald verband dan wel als reservist kort verband in de zin van de in te trekken Amp-wet kan worden aangemerkt.(…)” Verder heeft de staatssecretaris toegelicht dat de wettekst destijds niet is aangepast omdat er in 2001 nog een kleine groep reservisten was die verplicht in doorlopende werkelijke dienst als militair had gediend. Daardoor is voorkomen dat voor deze categorie reservisten de grondslag verdween voor een aanspraak op een UGM-uitkering.
4.3.
Verder betoogt appellant dat hij voldoet aan het vereiste van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de UGM dan wel dat hij gelijkgesteld moet worden met een reservist onbepaald of kort verband of met een beroepsmilitair, omdat hij in 2018 in daadwerkelijke dienst is opgeroepen en vanaf dat moment aaneengesloten als militair heeft gewerkt. De Raad volgt appellant ook daarin niet. Er zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om voor een andere categorie reservisten dan de reservisten met een kort of onbepaald verband een aanspraak op een UGM-uitkering in het leven te roepen. Bovendien gaat appellant er met zijn betoog aan voorbij dat reservisten met een onbepaald of kort verband bij aanvang van hun aanstelling destijds als reservist de verplichting zijn aangegaan in doorlopende werkelijke dienst te zijn. Dit betekent dat zij gedurende de gehele looptijd van hun aanstelling als reservist verplicht waren om gehoor te geven aan iedere oproep om werkzaamheden te verrichten. Deze verplichting geldt onder de huidige wetgeving in beginsel alleen voor beroepsmilitairen. Appellant is bij aanvang van zijn aanstelling als reservist niet de verplichting aangegaan om in doorlopende werkelijke dienst te zijn en is om die reden ook niet verplicht om gehoor te geven aan een oproep. De staatssecretaris heeft ter zitting nader toegelicht dat bij reservisten als appellant eerst wordt gevraagd of zij bereid zijn om werkzaamheden te verrichten. De reservist wordt pas in werkelijke dienst opgeroepen als hij daarmee heeft ingestemd en als over de inzet afspraken zijn gemaakt. Niet in geschil is dat appellant vanaf 2018 telkens op deze wijze is opgeroepen. Appellant heeft op grond van deze oproepen de verplichting om zijn werkzaamheden in de afgesproken periode te verrichten. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, is dit een andere verplichting dan de verplichting tot doorlopende werkelijke dienst. Dat achteraf kan worden geconstateerd dat appellant uiteindelijk vanaf 2018 in totaal bijna vier jaar door verschillende oproepingen als reservist in werkelijke dienst gewerkt heeft, maakt niet dat hij bij aanvang van de aanstelling de verplichting is aangegaan tot doorlopende werkelijke dienst, zoals (destijds) een reservist met een onbepaald of kort verband.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om appellant een UGM-uitkering toe te kennen in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.

(getekend) Y. Sneevliet

(getekend) A.A. Verweij

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Uitkeringswet gewezen militairen
Artikel 1
1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
(…)
b. ontslag: ontslag, verleend aan een beroepsmilitair in de zin van de Kaderwet militaire pensioenen, dan wel aan een reservist in de zin van die wet, voor zover deze krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht is tot doorlopende werkelijke dienst als militair;
(…).
Artikel 2
De gewezen militair heeft met ingang van de dag waarop zijn ontslag is ingegaan recht op een maandelijkse uitkering, maar niet eerder dan zodra hij de in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, bedoelde ontslagleeftijd heeft bereikt.
Kaderwet militaire pensioenen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
d. reservist: militair ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet ambtenaren defensie, voor zover behorende tot het reservepersoneel;
(…).
Algemene militaire pensioenwet
Artikel A1
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
(…)
c. reservist onbepaald verband: hij, die krachtens een vrijwillige verbintenis voor onbepaalde tijd verplicht is tot doorlopende werkelijke dienst als militair, behorende tot het reservepersoneel der krijgsmacht,
d. reservist kort verband: hij, die krachtens een vrijwillige verbintenis voor een bepaalde tijd verplicht is tot doorlopende werkelijke dienst als militair, behorende tot het reservepersoneel der krijgsmacht,
e. reservist: hij, die behoort tot het reservepersoneel der krijgsmacht en niet heeft gesloten een der verbintenissen als bedoelt onder c en d.
(…).

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 875, nr. 3.