ECLI:NL:CRVB:2026:527
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Y. Sneevliet
- K.H. Sanders
- B. Serno
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek UGM-uitkering voor reservist zonder verplichting tot doorlopende werkelijke dienst
Appellant, een reservist sinds 1988, verzocht om een uitkering op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen (UGM) na zijn leeftijdsontslag in 2022. De staatssecretaris wees dit verzoek af omdat appellant niet voldeed aan de vereiste dat alleen beroepsmilitairen en reservisten met een verplichting tot doorlopende werkelijke dienst recht hebben op een UGM-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant niet de verplichting had om doorlopend in werkelijke dienst te zijn, zoals vereist volgens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de UGM. Appellant stelde in hoger beroep dat alleen de wettekst relevant is en dat hij gelijkgesteld moet worden met reservisten met onbepaald of kort verband, maar de Raad volgde dit niet.
De Raad benadrukte dat de wetsgeschiedenis relevant blijft voor de uitleg van de bepalingen en dat de wetgever bewust een strikte afbakening heeft gemaakt. Appellant was niet verplicht tot doorlopende werkelijke dienst en werd slechts opgeroepen na instemming. Het hoger beroep werd verworpen, de afwijzing van de uitkering bleef in stand en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De afwijzing van het verzoek om een UGM-uitkering aan appellant wordt bevestigd omdat hij niet verplicht is tot doorlopende werkelijke dienst als militair.