ECLI:NL:CRVB:2026:53
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 mei 2021. Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv, dat op 10 juni 2025 geheel tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant. Hierdoor werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De Raad oordeelde dat het Uwv de arbeidsongeschiktheid van appellant niet langer handhaafde en hem per 24 augustus 2016 in aanmerking bracht voor een IVA-uitkering, wat de onrechtmatigheid van het eerdere besluit bevestigde.
Daarnaast heeft de Raad de Staat der Nederlanden en het Uwv veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De procedure heeft bijna zes jaar geduurd, terwijl de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet langer dan vier jaar mag duren. De Raad heeft vastgesteld dat de redelijke termijn met twee jaar is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 2.000,-. De kosten van de procedure zijn ook vergoed, met een totaalbedrag van € 5.370,50 voor het Uwv en € 233,50 voor de Staat. De uitspraak benadrukt het belang van een tijdige afhandeling van procedures en de gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn.