Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:537

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
23/2064 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingenArt. 4 Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verrekening AIO-aflossingsbedrag en geen ambtshalve toepassing gewenningsregeling

Appellante was het niet eens met het door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) vastgestelde aflossingsbedrag van €175,88 per maand voor een teruggevorderd bedrag aan aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). Na bezwaar stelde de Svb het bedrag coulancegewijs vast op €133,38 per maand. Appellante voerde aan dat dit bedrag, gelet op haar lage inkomen en stijgende kosten door inflatie, tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt en dat de gewenningsregeling ambtshalve toegepast had moeten worden.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die een kennelijk onredelijk resultaat aannemelijk maken, zoals bedoeld in de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen en beleidsregel SB1251. De Svb heeft terecht het aflossingsbedrag vastgesteld op basis van de volledige aflossingscapaciteit.

Verder bevestigt de Raad dat de Svb de gewenningsregeling niet ambtshalve toepast bij heroverweging van besluiten die dateren van voor 1 juni 2022. Appellante had de keuze om te reageren op een voorstel met twee opties, maar deed dit niet. De Svb koos uit coulance voor de gunstigere optie voor appellante. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het aflossingsbedrag van €133,38 per maand blijft gehandhaafd zonder ambtshalve toepassing van de gewenningsregeling.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2023, 22/5918 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 14 april 2026
Zitting heeft: E.C.E. Marechal
Griffier: S. Ploum
Namens appellante is mr. N. Talhaoui, advocaat, waarnemend voor mr. O.C. Bozbiyik, verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
1. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
2. De Svb heeft met een besluit van 14 april 2022 (verrekeningsbesluit) vastgesteld dat appellante met ingang van juni 2022 per maand € 175,88 moet aflossen op een eerder teruggevorderd ten onrechte ontvangen bedrag aan aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) en dat dit bedrag iedere maand op hetgeen zij ontvangt aan pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet en AIO zal worden ingehouden. Met een besluit van 28 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het verrekeningsbesluit ongegrond verklaard. Wel heeft de Svb bij wijze van coulance het aflossingsbedrag met ingang van november 2022 lager vastgesteld op een bedrag van € 133,38.
3. Niet is geschil is dat de Svb bevoegd is de teruggevorderde AIO met hetgeen appellante ontvangt aan AOW-pensioen en AIO te verrekenen en dat de Svb artikelen 3 en 4, tweede lid, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (Regeling) – in dit geval als beleidsregels – aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen.
4. Appellante heeft primair aangevoerd dat de Svb op grond van artikel 3, zevende lid, van de Regeling het aflossingsbedrag op nihil of een lager bedrag had moeten vaststellen. In haar geval leidt het – op zich op een correcte wijze – vastgestelde aflossingsbedrag tot een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Regeling. Appellante kan met haar lage inkomen haar hoge vaste lasten al moeilijk betalen en de kosten van levensonderhoud nemen als gevolg van inflatie toe. Deze grond slaagt niet.
4.1.
Overeenkomstig de artikelen 3, tweede lid, en 4, tweede lid, van de Regeling worden periodieke betalingen of verrekeningen door de Svb zodanig vastgesteld dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.
4.2.
Op grond van artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 3, zevende lid, van de Regeling kan de Svb van artikel 3 en Pro 4 van de Regeling afwijken als toepassing van die artikelen tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. Uit de toelichting bij de Regeling blijkt dat gedacht kan worden aan een situatie waarin tijdelijk prioriteit wordt gegeven aan betalingsregelingen met derden om een dreigende afsluiting van energielevering of ontruiming van de woning te voorkomen. Dit is ook neergelegd in beleidsregel SB1251 van de Svb waarin onder meer staat:
“Op grond van artikel 3, zevende lid van de regeling kan de SVB een afwijkende betalingsregeling treffen indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. De SVB maakt van deze bevoegdheid gebruik als een invordering van de SVB een bestaande betalingsregeling zou doorkruisen. Dit geldt alleen voor een betalingsachterstand van: energie- en waterrekeningen; huur of hypotheek; zorgpremie.”
4.3.
Met de niet gespecificeerde verwijzingen naar de toenemende inflatie, de economische maatschappelijke ontwikkelingen en haar persoonlijke omstandigheden heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het aflossingsbedrag van € 133,38 per maand leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat in voormelde zin. Feiten en omstandigheden zoals genoemd in de toelichting bij de Regeling of in beleidsregel SB1251, of andere feiten op grond waarvan een kennelijk onredelijk resultaat zou moeten worden aangenomen
,heeft appellante niet gesteld.
5. Appellante heeft zich daarnaast onder verwijzing naar de uitspraak van 16 december 2025 [1] op het standpunt gesteld dat de Svb de zogenaamde en in die uitspraak beschreven gewenningsregeling bij de heroverweging in bezwaar ambtshalve had moeten toepassen. Door dat niet te doen heeft de Svb niet conform het beleid gehandeld. Deze grond slaagt evenmin.
5.1.
De Svb heeft hangende bezwaar aan appellante twee opties voorgesteld:
Toepassing van de gewenningsregeling waardoor het eerste jaar 50%, het tweede jaar 75% en daarna 100% van de volledige aflossingscapaciteit maandelijks wordt verrekend of
dat gedurende de hele aflossingsperiode, maandelijks een bedrag van € 133,38, dus een lager bedrag dan de volledige aflossingscapaciteit van € 175,88, wordt verrekend.
Appellante heeft ondanks een herinneringsbrief niet op het voorstel van de Svb gereageerd en heeft – ook in hoger beroep – niet toegelicht waarom zij niet heeft gereageerd.
5.2.
Anders dan appellante lijkt te veronderstellen past de Svb de gewenningsregeling niet ambtshalve toe bij heroverweging in bezwaar van besluiten in primo die dateren van voor 1 juni 2022. [2] Het besluit in primo in deze zaak dateert van 14 april 2022. Dit betekent dat niet geoordeeld kan worden dat de Svb door een voorstel met twee opties voor te leggen in plaats van meteen de gewenningsregeling ambtshalve toe te passen, niet conform het toepasselijke beleid heeft gehandeld.
5.3.
De Svb heeft vervolgens nadat appellante niet op het voorstel had gereageerd er niet voor gekozen het besluit in primo te handhaven en uit coulance toch gekozen voor optie 2 en niet voor optie 1, omdat optie 2 voor appellante het meest gunstig leek. Voor zover deze keuze ongunstiger uitpakt, komt dit voor rekening en risico van appellante. Overigens heeft appellante niet gemotiveerd dat zij door de keuze van de Svb voor optie 2 tekort is gedaan.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S. Ploum (getekend) E.C.E. Marechal

Voetnoten

2.Zie de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:391 en in bijzonder rechtsoverweging 4.7.