Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:538

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
23/3099 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 19 ParticipatiewetArt. 31 ParticipatiewetArt. 34 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens overschrijding vrij te laten vermogen

Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet, maar zijn aanvraag werd afgewezen omdat hij over meer vermogen beschikte dan het vrij te laten bedrag. Het vermogen bestond uit saldi op een bankrekening en een gekoppelde spaarrekening, alsmede een auto. Appellant stelde dat hij niet over het spaargeld en de auto kon beschikken, maar kon dit niet aannemelijk maken.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat het saldo op de bankrekening en de gekoppelde spaarrekening samen het vrij te laten vermogen overschreden en dat appellant feitelijk over deze gelden kon beschikken. De stelling dat het spaargeld van zijn moeder was en dat hij beperkt was in zijn beschikkingsmacht werd niet onderbouwd.

Daarnaast kende de Raad appellant een schadevergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure, die ruim twee maanden te lang duurde. De Staat werd ook veroordeeld in de proceskosten van appellant voor het verzoek om schadevergoeding. Het hoger beroep werd afgewezen, waardoor het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag in stand bleef.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens vermogen boven de vrijstellingsgrens, met een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

23/3099 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 31 oktober 2023, 22/2023 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 28 april 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de afwijzing van een aanvraag om bijstand met als reden dat appellant over meer vermogen beschikt dan het voor hem geldende vrij te laten vermogen. Appellant is het daar niet mee eens. Hij voert aan dat hij niet over het vermogen kan beschikken, maar hij krijgt daarin geen gelijk. Wel kent de Raad appellant een schadevergoeding toe van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 maart 2026. Voor appellant is mr. Bos verschenen, samen met de vader van appellant. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Janssen en I. van Pol.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1998, heeft zich op 6 december 2021 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Hij heeft op 4 januari 2022 een aanvraag ingediend.
1.2.
Met een besluit van 22 februari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 26 juli 2022 (bestreden besluit), heeft het college – voor zover hier van belang – de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing ligt ten grondslag dat appellant over een vermogen van € 18.601,25 beschikt. Dat is meer dan het voor hem geldende vrij te laten vermogen van € 6.295,-. Om die reden heeft hij geen recht op bijstand. Het college heeft daarbij de volgende vermogensbestanddelen in aanmerking genomen. Appellant had op zijn bankrekening een bedrag van € 1.937,79 en op de daaraan gekoppelde spaarrekening (gekoppelde spaarrekening) een bedrag van € 5.013,46 staan. Daarnaast had appellant een auto op zijn naam staan waarvan de waarde, volgens de ANWB koerslijst, € 11.650,- bedroeg.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en de verdragsbepaling die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 6 december 2021, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 22 februari 2022, de datum van het afwijzingsbesluit (te beoordelen periode).
4.2.
In hoger beroep is, gelet op wat ter zitting is besproken, alleen in geschil of appellant over het in 1.2 genoemde vermogen kon beschikken. Appellant heeft aangevoerd dat hij ten tijde van de aanvraag niet over teveel vermogen beschikte, omdat het bedrag van € 5.013,46 aan spaargeld en de auto ter waarde van € 11.650,- niet tot zijn vermogen behoorden. Het spaargeld op de gekoppelde spaarrekening was van zijn moeder. De auto behoorde in eigendom toe aan zijn vader. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat is alleen al het geval omdat appellant kon beschikken over de gelden op zijn bankrekening en de daaraan gekoppelde spaarrekening. Daartoe is het volgende van belang.
4.2.1.
Onder vermogen wordt verstaan: de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. Dit volgt uit artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW. De term beschikken moet zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk te gebruiken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit is vaste rechtspraak. [1]
4.2.2.
Niet in geschil is dat in de te beoordelen periode het saldo van de bankrekening en het saldo van de gekoppelde spaarrekening samen meer was dan het voor appellant in de te beoordelen periode geldende vrij te laten vermogen. Ook niet in geschil is dat appellant feitelijk kon beschikken over het saldo op zijn bankrekening.
4.2.3.
Het gegeven dat een bank- of spaarrekening op naam van een betrokkene staat, brengt – behoudens tegenbewijs – mee dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Appellant is er niet in geslaagd dat tegenbewijs te leveren.
4.2.4.
De moeder van appellant heeft op 9 juni 2016 een bedrag van € 5.500,- overgemaakt naar de bankrekening van appellant, die toen nog minderjarig was. Op 27 mei 2017 is er een bedrag van € 5.500,- van de bankrekening van appellant, die op dat moment meerderjarig was, overgeboekt naar de gekoppelde spaarrekening. Na de afwijzing van de aanvraag met het besluit van 22 februari 2022, namelijk op 4 april 2022, is een bedrag van € 5.013,- overgeschreven van de gekoppelde spaarrekening naar de bankrekening van appellant en diezelfde dag is er van die bankrekening een bedrag van € 5.000,- overgeschreven naar een bankrekening van de moeder van appellant. Zij heeft op 20 april, 23 april en 18 mei 2022 drie betalingen aan tandartskosten gedaan voor een totaalbedrag van € 2.430,09. Deze geldstromen leveren echter geen onderbouwing op van het standpunt van appellant dat het geld op de spaarrekening van zijn moeder was en dat hij beperkt was in zijn beschikkingsmacht over gelden op de gekoppelde spaarrekening.
4.2.5.
Appellant heeft gesteld dat hij mondeling met zijn moeder had afgesproken dat hij niet aan haar geld op de spaarrekening zou komen. Dat leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat enige onderbouwing van die afspraak ontbreekt. De verklaring van zijn moeder van 10 april 2022 is niet een onderbouwing van de gestelde afspraak. Zij heeft verklaard dat appellant geen zelfstandige toegang tot de gekoppelde spaarrekening had, hij geen gelden van die rekening kon opnemen en zij die rekening volledig beheerde. Uit deze verklaring blijkt echter niet van een afspraak zoals appellant die nu stelt. De verklaring lijkt in te houden dat appellant feitelijk niet over de gelden op de gekoppelde spaarrekening kon beschikken. Maar dit staat haaks op het daarover ter zitting ingenomen standpunt, namelijk dat niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode feitelijk over de tegoeden op de gekoppelde spaarrekening kon beschikken. Aan de verklaring van de moeder komt daarom niet de betekenis toe die appellant daaraan toekent.
4.3.
Uit 4.2 tot en met 4.2.5. volgt dat appellant met de tegoeden op de bankrekening en de gekoppelde spaarrekening in de te beoordelen periode al kon beschikken over een vermogen boven het voor hem geldende vrij te laten vermogen. Alleen dat vermogen vormt al een voldoende grondslag om de aanvraag om bijstand met ingang van 6 december 2021 af te wijzen. Wat appellant heeft aangevoerd over de auto hoeft daarom niet te worden besproken.
Overschrijding van de redelijke termijn
4.4.
Appellant heeft een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn ingediend. Deze schadevergoeding zal worden toegekend. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.5.
Een rechterlijke procedure moet binnen een redelijke termijn worden afgerond. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling in bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. [2]
4.6.
Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant op 25 februari 2022 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim twee maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim twee maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 500,-.

Conclusie en gevolgen

4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat het besluit tot afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand blijft. Verder wordt de Staat veroordeeld tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. Wel zal de Staat worden veroordeeld in de proceskosten van appellant voor het indienen van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van €934,- en met een wegingsfactor van 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van B.F.C. Wiedenhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en verdragsbepaling

Participatiewet
Artikel 19 Voorwaarden Pro
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien:
a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; en
b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
(…)
Artikel 31 Middelen Pro
1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. (…)
Artikel 34 Vermogen Pro
1. Onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
b. middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.
2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
(…)
b. het bij aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;
(…)
3. De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: € 6.295 (per 1 januari 2021);
(…)
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 6
1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
(…)

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO3782.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.