ECLI:NL:CRVB:2004:AO3782
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Voortzetting bijstand wegens niet beschikbaarheid vermogen in buitenlandse woning
Appellante, een alleenstaande oudere met lichamelijke beperkingen, ontving algemene bijstand die werd beëindigd omdat zij eigenaar was van een woning in Marokko die als vermogen werd aangemerkt. De gemeente stelde dat zij dit vermogen moest gelde maken om bijstand te kunnen ontvangen. Appellante kon echter door haar handicap niet zelf over de woning beschikken en had een verzoek tot onderbewindstelling ingediend.
De Raad oordeelde dat het niet aannemelijk was dat appellante in de relevante periode het vermogen in de woning kon gelde maken, mede omdat de benoeming van een bewindvoerder nog niet was geregeld. Daarom was het besluit om de bijstand te beëindigen niet deugdelijk gemotiveerd en werd het vernietigd.
De Raad bepaalde dat de bijstand moest worden voortgezet vanaf 1 januari 2004 onder aftrek van de AOW-uitkering totdat een nieuw besluit op bezwaar is genomen. Tevens werd de gemeente Zwolle veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De Raad benadrukte dat appellante in redelijkheid wel kan worden verlangd het vermogen te gelde te maken zodra dit mogelijk is, maar dat de belangen van haar kinderen in Marokko daarbij niet meewegen.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van bijstand wordt vernietigd en bijstand wordt voortgezet onder aftrek van de AOW-uitkering.