Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:548

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
25/1041 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ZW-uitkering wegens verdiencapaciteit boven 65% van laatstverdiende loon

Appellant, voormalig reachtruckchauffeur, meldde zich ziek met liesklachten en ontving een ZW-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 17 november 2022 omdat appellant volgens medische en arbeidskundige beoordelingen meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon kan verdienen in passende functies.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde om de vastgestelde beperkingen te betwisten. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd, mede gelet op het opleidingsniveau en taalvaardigheid van appellant.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn medische beperkingen en persoonlijke functioneren onvoldoende werden meegewogen, en dat hij de Nederlandse taal niet goed beheerst. De Raad volgde dit niet en onderschreef de eerdere medische en arbeidskundige beoordelingen, waarbij werd vastgesteld dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en de functies passend waren.

De Raad concludeerde dat appellant meer dan 65% van zijn loon kan verdienen en bevestigde daarmee de beëindiging van de ZW-uitkering. Appellant kreeg geen vergoeding voor proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kan verdienen in passende functies.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1041 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2025, 23/6009 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 17 november 2022 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat om passende functies te vervullen zodat hij onveranderd recht had op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J.M. van Daalhuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 april 2026. Voor appellant is mr. Van Daalhuizen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als reachtruckchauffeur voor gemiddeld 27,50 uur per week. Op 17 oktober 2021 heeft hij zich ziekgemeld met klachten aan zijn linker lies. Aan appellant is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 september 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 3 oktober 2022 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 17 november 2022 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.2.
Bij besluit van 26 juli 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen nadere (medische) onderbouwing heeft gegeven voor het standpunt dat de medische beoordeling en belastbaarheid die op basis daarvan is vastgesteld onzorgvuldig of onjuist zou zijn geweest. Appellant heeft op de zitting bevestigd dat nadere medische informatie ter onderbouwing van de standpunten ontbreekt. Dat geldt ook voor het gestelde dat extra beperkingen hadden moeten worden aangenomen ten aanzien van fysieke omgevingseisen (tocht en trillingen) en persoonlijk functioneren (werken met deadlines en productiepieken). Wat appellant daarover in beroep heeft aangevoerd, legt tegenover het gemotiveerde en inzichtelijke medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de daarop gebaseerde FML onvoldoende gewicht in de schaal om op grond daarvan te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Naar aanleiding van de gronden die appellant heeft aangevoerd over de geselecteerde functies, heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uitvoerig heeft gemotiveerd op welk niveau zij meent dat appellant de Nederlandse taal beheerst en over welk opleidingsniveau hij beschikt. Appellant voldoet bij alle functies aan het vereiste opleidingsniveau. Voor wat betreft de beheersing van de Nederlandse taal is van belang dat appellant al drie keer een opleiding in de Nederlandse taal heeft gevolgd. Voor de geduide functies worden daarbij geen bijzondere eisen gesteld aan de Nederlandse taal. Van appellant mag volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep verwacht worden dat hij het heftruck- en CVA-certificaat kan behalen, tenslotte past dit bij zijn opleidingsniveau en heeft hij in het verleden ook bewezen in staat te zijn dergelijke certificaten te behalen. Uitgaande van de juistheid van de medische belastbaarheid en de functionele mogelijkheden die bij appellant zijn bepaald, heeft de rechtbank in wat appellant heeft aangevoerd geen reden gezien om de geschiktheid van de geduide functies in twijfel te trekken.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en dat hij niet in staat is om de door het Uwv geselecteerde functies te vervullen. De liesklachten zijn ontstaan tijdens het werk als reachtruckchauffeur, waarbij appellant met name problemen ervoer door de daarbij optredende trillingen en doordat regelmatig gewisseld moest worden van werken in een (zeer) koude en tochtige werkomgeving naar een werkomgeving met een meer gangbare temperatuur. Nu appellant niet meer werkt, zijn de klachten minder geworden maar nog steeds aanwezig. Naast de pijnklachten heeft appellant ook problemen ten aanzien van het persoonlijk functioneren. Hij is niet in staat om zelfstandig te voldoen aan de verwachtingen die anderen van hem hebben. Ook werk waarin sprake is van deadlines of productiepieken of waarin anderen afhankelijk zijn van het werk dat hij moet afleveren, zoals aan de orde is in de door het Uwv geselecteerde functies, acht appellant niet passend. Appellant heeft er in dit verband ook op gewezen dat hij de Nederlandse taal niet goed beheerst en hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het Uwv zijn opleidingsniveau te hoog heeft ingeschat.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 februari 2026, verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatst verdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. [1] Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
Net als de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er in het rapport van 23 februari 2026 op gewezen dat geen medische gegevens bekend zijn waaruit blijkt dat sprake is van pathologie aan het linkerbeen en dat bij lichamelijk onderzoek door de primaire arts aan heupen en liezen geen afwijkingen konden worden gevonden. Met de in de FML vastgestelde beperkingen is in ruim voldoende mate rekening gehouden met de klachten. Wat betreft de gestelde beperkingen in het persoonlijk functioneren acht de Raad van belang dat appellant geen melding heeft gemaakt van psychische problemen en dat zowel bij het psychisch onderzoek door de arts als tijdens de hoorzitting en het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanwijzingen voor psychopathologie zijn waargenomen. Appellant heeft zijn standpunt dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen ook in hoger beroep niet onderbouwd met medische stukken.
Arbeidskundige beoordeling
5.3.
Ook het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige beoordeling wordt onderschreven. De arbeidsdeskundigen hebben afdoende gemotiveerd dat de voor appellant geselecteerde functies passen binnen de beperkingen die zijn vastgesteld in de FML. Wat betreft het opleidingsniveau heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep erop gewezen dat appellant, naast de opleidingen die hij in het verleden heeft gevolgd in zijn land van herkomst, in 2021 een MBO-2 opleiding heeft gevolgd en met een diploma heeft afgesloten. Reeds op basis hiervan voldoet appellant aan het voor de geselecteerde functies vereiste opleidingsniveau, dat niet hoger is dan niveau 2. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep er terecht op gewezen dat appellant al twintig jaar in Nederland verblijft en werkt. Hij heeft reeds drie keer een NT2 opleiding gevolgd en was ten tijde van het spreekuur met de primaire arts nog bezig met een cursus B2 Nederlands. Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard dat appellant in het Nederlands communiceert met zijn echtgenote. De geselecteerde functies behelzen eenvoudig productiematig werk en stellen geen specifieke eisen aan de mondelinge en/of schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid doorgaans in staat kan worden geacht eenvoudige productiematige functies te vervullen. [2] Gelet hierop moet appellant in staat worden geacht de geselecteerde functies te vervullen.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:BX1509.