ECLI:NL:CRVB:2026:580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-hoger beroep
Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake de WIA. Tijdens de procedure kwam het UWV met een gewijzigde beslissing op bezwaar die volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante, waarna het hoger beroep werd ingetrokken.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde het verzoek van appellante tot vergoeding van proceskosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure van bezwaar en beroep ruim zeven jaar had geduurd, wat de redelijke termijn met bijna vier jaar overschreed.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs had moeten maken in hoger beroep, inclusief kosten van deskundigen en griffierecht. Daarnaast werd een schadevergoeding toegekend, waarbij de Staat en het UWV ieder een deel van de vergoeding voor de termijnoverschrijding moesten betalen.
De uitspraak benadrukt de toepassing van de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en volgt de methode van de Hoge Raad voor de verdeling van de schadevergoeding tussen bestuursorgaan en Staat.
Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de WIA-procedure.