Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:580

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
20/3183 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:88 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-hoger beroep

Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake de WIA. Tijdens de procedure kwam het UWV met een gewijzigde beslissing op bezwaar die volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante, waarna het hoger beroep werd ingetrokken.

De Centrale Raad van Beroep beoordeelde het verzoek van appellante tot vergoeding van proceskosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure van bezwaar en beroep ruim zeven jaar had geduurd, wat de redelijke termijn met bijna vier jaar overschreed.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs had moeten maken in hoger beroep, inclusief kosten van deskundigen en griffierecht. Daarnaast werd een schadevergoeding toegekend, waarbij de Staat en het UWV ieder een deel van de vergoeding voor de termijnoverschrijding moesten betalen.

De uitspraak benadrukt de toepassing van de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en volgt de methode van de Hoge Raad voor de verdeling van de schadevergoeding tussen bestuursorgaan en Staat.

Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de WIA-procedure.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
20/3183 WIA, 24/1321 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2020, 18/5942 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 13 mei 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak via videobellen behandeld op een zitting van 3 februari 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
De Raad heeft het onderzoek heropend en drs. F.M. Brouwer, verzekeringsarts, benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 17 januari 2024 gerapporteerd. Partijen hebben hun zienswijzen ingediend.
Het Uwv heeft op 29 april 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft te kennen gegeven dat zij zich niet geheel kan verenigen met de gewijzigde beslissing op bezwaar. Het Uwv heeft hierop gereageerd. De deskundige heeft op 5 december 2024 aanvullend gerapporteerd. Appellante heeft op dit rapport gereageerd. Het Uwv heeft vervolgens nog vragen van de Raad beantwoord.
Het Uwv heeft op 17 november 2025 opnieuw een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellante heeft tevens verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een nadere zitting en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Proceskosten
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 17 november 2025 volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen.
Aangezien de rechtbank al een proceskostenveroordeling voor de kosten in beroep heeft uitgesproken en appellante tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak niet is opgekomen, valt het verzoek van appellante om vergoeding van de in beroep gemaakte kosten buiten de omvang van dit geding. De kosten van bezwaar zijn al door het Uwv vergoed in de eerste beslissing op bezwaar van 11 september 2018. De Raad zal daarom alleen nog oordelen over de in hoger beroep gemaakte kosten.
Kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 3.736,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, 0,5 punt voor de zienswijze op het rapport van de deskundige van 17 januari 2024, 0,5 punt voor de reactie op de gewijzigde beslissing op bezwaar van 29 april 2024 en 1 punt voor de reacties na het nadere rapport van de deskundige van 5 december 2024, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1) voor verleende rechtsbijstand.
Ten aanzien van het verzoek van appellante om wegingsfactor 1,5 (zwaar) toe te kennen merkt de Raad op dat een hogere wegingsfactor slechts wordt gehanteerd bij een van het gemiddelde afwijkende juridische en/of feitelijke complexiteit van de zaak. Daarvan is hier geen sprake.
Kosten van deskundigen
Appellante heeft verzocht om vergoeding van kosten die zij heeft gemaakt voor het laten opstellen van reacties door dr. C.M.C. van Campen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft zij een factuur ingediend van Cardiozorg van 29 maart 2025. De in deze factuur genoemde kosten komen voor vergoeding in aanmerking, voor zover deze betrekking hebben op de in hoger beroep ingediende reacties van 23 januari 2022, 30 december 2024 en 29 maart 2025. Het gaat om een bedrag van in totaal € 3.224,24 (inclusief omzetbelasting).
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. [1]
Als een tegemoetkomend besluit is genomen, eindigt de redelijke termijn op het moment dat dit besluit is bekendgemaakt. [2]
Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante op 19 februari 2018 tot aan de bekendmaking van het besluit van 17 november 2025 heeft de procedure zeven jaar en bijna negen maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met drie jaar en bijna negen maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 4.000,-.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv bijna zeven maanden geduurd en heeft de behandeling in de rechterlijke fase zeven jaar en bijna twee maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [3] Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 88,89 (1/45e van € 4.000,-) en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 3.911,11 (44/45e van € 4.000,-).
Aanleiding bestaat het Uwv en de Staat ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellante ter zake van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt met een waarde per punt van € 934,-, met wegingsfactor 0,5) voor het indienen van het verzoek, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 233,50. Het totale bedrag aan proceskosten dat het Uwv moet betalen komt hiermee uit op € 7.193,74.
Griffierecht
Het Uwv moet het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.911,11;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 88,89;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 7.193,74;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) D. Semiz

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
3.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.